|
De
Naam:
De naam ORGEL is afkomstig van het Griekse woord “organon”, dat
werktuig betekent.
De Latijnse vorm hiervan is “organum”.
Dit woord had overigens een zeer ruime betekenis, zoals b.v. “organum
vocis”, dat stemorgaan betekent.
Het meervoud “organa” werd ook gebruikt om het orgel aan te duiden,
omdat het orgel feitelijk een groepering van blaasinstrumenten is.
De
oorsprong:
Voor de oorsprong van het orgel wordt meestal teruggegaan tot de
Pansfluit of Syrinx, een soort fluit, afkomstig uit Griekenland.
Recente onderzoekingen hebben aangetoond dat echter bij de Pansfluit de
blaasbalg niet aanwezig was, zodat een karakteristiek element van het
orgel hier eigenlijk ontbreekt.
In de Talmud (naast het Oude Testament het belangrijkste joodse
leerboek) wordt de Magrepha vermeld, een draagbaar muziekinstrument,
voorzien van een blaasbalg.
Dit instrument staat dus dichter bij de ontwikkelingsgeschiedenis van
het orgel.
Waarschijnlijk werd het zelfs in de synagoge gebruikt.
Een
andere vroege vorm van het orgel is het zgn. Waterorgel (organum
hydraulicum).
Als uitvinder noemt men gewoonlijk een zekere Ktesibios van Alexandrië.
De technische inrichting van dit orgel doet echter veronderstellen, dat
het meer als een hoogtepunt van een lange ontwikkelingsperiode is te
beschouwen dan dat iemand het in deze vorm uitvond.
Enkele waterorgels zijn later ontdekt o.a. in Hongarije en te Pompeji
(in Museum te Napels).
Ook zijn er goede afbeeldingen ter beschikking gekomen.
De
hoogte van een waterorgel was ongeveer drie meter, de breedte 140-
150 cm
.
De lucht werd onder waterdruk naar de pijpen gevoerd.
Het toetsenbord had een omvang van ongeveer twee octaven (bij een
hedendaags orgel is dit vijf octaven).
De metalen pijpen waren gegroepeerd op de wijze van een mixtuur (op het
kerkorgel een repeterende vulstem (meerkorig).
Het was echter mogelijk om de pijpen van een toets tegelijk of ook apart
te laten klinken.
Meestal waren er drie rijen pijpen.
Deze instrumenten werden voor wereldlijke doeleinden gebruikt
(theatermuziek).
Ontwikkeling
van het kerkorgel tot de bloeitijd
Terwijl
het waterorgel technisch al op een hoog plan stond, compleet met
registers en windkamers, trad in de 3e of 4e eeuw na Chr. voor het eerst
het WINDORGEL (organum pneumaticum) op.
Waarbij dus de wind niet door middel van water onder druk gebracht werd,
maar door een soort schepbalg.
Dit was een nog zeer primitieve vorm van het orgel.
Het bezat geen registers en aanvankelijk ook geen toetsenbord.
Juist uit deze primitieve vorm nu heeft zicht het West-Europese
kerkorgel ontwikkeld en dus niet uit het technisch meer ontwikkelde
waterorgel.
Later
krijgt men ook bij dit type orgel bv. een klavier van 15 toetsen,
waarmee men één of meer reeksen pijpen kan laten klinken.
Voorbeelden van dergelijke instrumenten vindt men in de 8e eeuw.
In 757 krijgt Pepijn de Korte zulk een instrument uit Byzantium.
De Venetiaan Georgius bouwde er een voor het hof van Lodewijk de Vrome
te Aken.
Verder kent men nog het orgel te Winchester uit de 10e eeuw, dat 400
pijpen bevatte.
Om het te kunnen bespelen waren twee organisten en 70 calcanten
(orgeltrappers) nodig!
Van
de 9e tot de 12e eeuw ontwikkelt het orgel zich vooral in de
kloosterkerken, hoewel het als wereldlijk instrument in die tijd ook nog
een belangrijke plaats inneemt.
Men kan op de duur drie typen onderscheiden: het PORTATIEF, het POSITIEF
en het REGAAL, terwijl uit combinaties van deze het grote orgel
ontstaat.
Het
portatief was een draagbaar orgeltje dat met de rechterhand bespeeld
werd, terwijl de linkerhand de luchttoevoer d.m.v. een blaasbalg
regelde.
Het werd vaak in de wereldlijke muziek gebruikt.
De toonomvang was één tot twee octaven
Het
positief was een gemakkelijk verplaatsbaar orgel en evenals het
portatief vaak gebruikt in processies.
Het had één manuaal en veel later een aangehangen pedaal (dit is een
pedaal zonder eigen registers en gekoppeld aan het manuaal).
Ook dit instrument diende wel voor wereldlijk gebruik.
De dispositie (overzicht van de registers) had als grondslag een gedekte
8 voet
met een 4-voet Prestant (de voornaamste stem), een 2-voets en een
Cymbel.
Soms werden hieraan een 1 1/3 voet, een 1-voet of een Regaal 8-voet
(tongwerk met een ijle, snaterende klank) toegevoegd.
Het positief handhaafde zich tot in de 18e eeuw, waarna het door het
clavecimbel verdrongen werd.
Tegenwoordig
wordt het positief alom weer als een waardevol instrument gezien.
Er zijn ook heel wat Kerken en ook particulieren die een positief laten
bouwen.
Bovenstaande is ook van toepassing op het kistorgel (zie Catharijnekerk
te Brielle).
Links
op de foto:
Orgelpositief gebouwd door orgelmaker
Flentrop in de 20e eeuw (als tweede orgel) in de Vestingkerk te
Hellevoetsluis.
Het orgel heeft twee manualen en aangehangen pedaal.
De manualen worden gekoppeld met een schuifkoppeling onder het
ondermanuaal.
Het orgelpositief heeft zes registers, waarvan het ondermanuaal
gescheiden is in dis- en baskant. De registers zijn aan de zijkant
geplaatst.
Het
regaal is waarschijnlijk in Frankrijk ontstaan.
Het was een tafelorgel, dat zijn naam ontleent aan het feit dat het
pijpwerk uitsluitend uit kortbekerige tongwerken bestond.
Het komt voor in de 15e en 16e eeuw en was bestemd voor huiselijk
gebruik.
Portatief en positief dienen in de kerk om het koor te begeleiden,
hetzij om de zangstemmen te versterken of ook wel om ontbrekende
zangstemmen te vervangen.
De muziek, die er op gespeeld werd, droeg daarom een vocaal karakter.
Het
eigenlijke grote orgel diende als solistisch instrument: het verzorgde
inleidingen en naspelen en ook het zgn. “alternatim spel”.
Dat wil zeggen: het orgel speelde sommige verzen ter afwisseling van de
koorzang, waarbij de Cantus firmus (de melodie) door de begeleidende
stemmen sierlijk werd omspeeld.
De
vroegste kerkorgels hadden geen registers; steeds klonken alle pijpen
van de aangeslagen toetsen.
Het pijpwerk stond opgesteld op tooncancelladen
zonder slepen, zgn. blokwerkladen.
Deze treft men aan tot in de 16e eeuw.
De
verdere ontwikkeling brengt de sleeplade en de springlade.
Deze laatste is mogelijk uitgevonden, doch in ieder geval vervolmaakt,
door de Brabantse orgelbouwer Hendrik Niehoff en wordt tot diep in de
17e eeuw toegepast (bv. In de Nieuwe Kerk te Amsterdam – gebouwd van
1650-1655).
Tenslotte
heeft toch de sleeplade de springlade verdrongen.
Verklaring
van bovenstaande, vetgedrukte,
termen:
DIVERSE
LADEN
Tooncancelladen:
windlade, welke verdeeld is in evenveel vakjes (cancellen) als er
toetsen zijn, zoals bij de bloklade, de springlade en de sleeplade.
Slepen
schuif met gaten, die passen op de pijpengaten, verschuifbaar
aangebracht in de sleepladen.
Blokwerkladen:
tooncancellade zonder slepen. Door het neerdrukken van een toets
krijgt de wind toegang tot de tooncancel, waardoor alle op deze cancel
staande pijpen gaan spreken.
Sleeplade:
windlade, waarin slepen met overeenkomstig aan de pijpenstokken
ingeboorde gaten. Trekt men een register uit, dan verschuift de sleep,
waardoor de wind, bij geopend speelventiel, door de gaten in de pijpen
kan stromen.
Springlade:
(uitgevonden omstreeks de 12e eeuw), maakt scheiding tussen de
pijpenrijen op een lade. Heeft, in plaats van slepen, in de tooncancellen ventielen met veren onder de toongaten. Bij het trekken
van een register drukt een regel deze ventielen (van een zelfde
register) neer, door middel van drukpennen. Ze is omstreeks de 17e eeuw
verdrongen door de sleeplade.
Onderstaand enige tekeningen van de tooncancellade
|

|
Tooncancellade met scheien, (waarvan er één ontbreekt),
afdekplaten en kleppenkast in aanbouw.
|
|

|
Dwarsdoorsnede
van de
tooncancellade
|
|

|
De
laden met dammen, slepen en pijpstok
|
Pedaal
en manuaal:
Pedaal:
Aan
het eind van de 14e eeuw wordt het pedaal voor het eerst toegepast,
aanvankelijk aangehangen (zonder eigen registers, zoals in de Dorpskerk
van Vierpolders), later ook zelfstandig (met eigen registers).
Het aantal pedaaltoetsen (stokken) bedroeg in de eerste tijd niet meer
dan acht tot tien.
In
de loop van de tijd wordt het orgel steeds meer uitgebouwd.
Behalve
een hoofdwerk (grootste deel van het orgel) bouwt men een rugpositief
(een klein orgeltje achter de organist), soms een regaal als borstwerk
(plaatsing recht voor de organist, onder het hoofdwerk).
Komt men tot drie manualen dan bouwt men Hoofdwerk (HW), Rugwerk
(RW) en Borstwerk (BW) óf Hoofdwerk, Rugwerk en Bovenwerk
(BOW) [het gedeelte boven het hoofdwerk].
Bij vier manualen zijn alle genoemde werken aanwezig.
Het
is te begrijpen dat in het kader van deze uitbouw ook de ontwikkeling
van diverse koppelingen plaatsvindt (manuaalkoppelingen en
pedaalkoppelingen; dit is om alle naar voorkeur diverse werken aan
elkaar te koppelen).
Manuaal:
Regelmatig wordt het aantal toetsen van manualen (klavieren) en pedaal
uitgebreid.
Hier dient gewezen te worden op de eigenaardigheden van het laagste
octaaf (linker gedeelte van het manuaal of pedaal).
Dit werd namelijk lang niet altijd volledig gebouwd.
Aanvankelijk
bevatte dit octaaf vier “witte” toetsen voor de tonen F, G, A en B
en één “zwarte” toets voor de toon Bes.
Later
breidde men het octaaf uit met de tonen C, D en E, die echter gespeeld
worden met de toetsen E, Fis en Gis.
Dit heet “Kort Octaaf”.
Nog later wilde men toch wel graag de tonen Fis en Gis kunnen gebruiken.
Aangezien de toetsen hiervoor al bezet waren door D en E deelde men deze
middendoor, verhoogde de achterste helft en verbond deze helft met de
mechaniek van de betreffende tonen Fis en Gis.
De
voorste helft bleef resp. de tonen D en E.
Zulk een octaaf heet “Gebroken Octaaf”.
Voorbeelden
van de besproken toetsen van het manuaal:
De
bloeitijd van het orgel
Deze bloeitijd loopt van ongeveer het einde van de 16e eeuw tot rond het
midden van de 18e eeuw.
Juist in de Barokperiode lag de ontwikkelingsmogelijkheid:
de polyfonie (meerstemmigheid) van deze tijd was lineair van opzet met
een toch enigszins harmonische opbouw in een heterogene
(ongelijksoortige) klankkleur.
Als
grondslag voor de dispositie (totaal overzicht van alle registers op een
orgel) dient een grondpatroon, n.l. de octaafs- en quintsgewijze opbouw
van Prestanten (hoofdstemmen) en fluitstemmen.
Hieraan worden samengestelde vulstemmen (gemengde stem uit verschillende
natuurtonen) zoals Mixturen e.d. toegevoegd.
De
registersamenstelling kan al naar gelang van de landsaard verschillend
zijn.
Tot 1500 was de registerrijkdom nog vrij beperkt.
Bij
de grote ontwikkeling sindsdien van de instrumentale muziek in het
algemeen, waarin de instrumenten in velerlei soorten en in families
(vergelijk b.v. sopraan-, alt-, tenor en basblokfluiten) worden gebouwd,
sluit ook de ontwikkeling van de orgelregisters zich aan.
De
orgelbouwers wedijverden met elkaar in het construeren van telkens
nieuwe pijpmodellen en het tot stand brengen van telkens nieuwe
klankkleuren.
Zo ontstaat het register met wijde, normale en enge, gedekte,
halfgedekte en open, conische, cilindrische en trechtervormige pijpen.
Voorbeelden
van diverse soorten pijpen:
De
samengestelde vulstemmen worden zeer veelkorig (het spreken van meerdere
pijpen gelijktijdig op een toets – b.v. de mixtuur 3 sterk) en
repeterend gebouwd (van uitermate groot belang voor de kennis over de
orgelbouw tot aan het begin van de 17e eeuw, is het werk van Michaël
Praetorius – 1571-1621): Syntagma musicum”.
In dit werk, dat bestaat uit drie delen, vat hij de gehele muzikale
kennis van die tijd samen.
In het tweede deel, Organographia geheten, wordt o.m. het orgel
nauwkeurig beschreven).
De
functionele opbouw van het orgel berust op de prestantbasis; en wel
16 voet
(de langste pijp is
16 voet
lang) voor het hoofdwerk,
8 voet
voor het rugwerk en/of bovenwerk,
4 voet
voor het borstwerk, en
16 voet
of
32 voet
voor het pedaal.
Bij orgels van geringere omvang vaak
8 voet
voor het hoofdwerk,
4 voet
voor het rugwerk en
16 voet
voor het pedaal.
Het borstwerk heeft soms een 2 voets basis.
Naast deze ruggengraat van het orgel vindt men in de dispositie een
zorgvuldige toepassing van de fluitstemmen en tongwerken (pijpen die
door middel van een tong spreken en waarbij de beker de toon versterkt
en karakter geeft), zo, dat ieder “werk” een eigen, aparte eenheid
van klank heeft, terwijl het totaal van de werken een afgerond geheel
vormt.
De
orgelbouw in de diverse landen.
Al
tijdens de bloeiperiode van de orgelbouw zijn er verschillen in opbouw
en registersamenstelling waar te nemen, die samenhangen met een bepaalde
landsaard en met de musiceertrant in de verschillende landen.
Te denken is aan de beroemde orgelbouwer Arp Schnitger (1648-1719 –
o.a. het orgel met 4 manualen en pedaal in de Jacobi-kerk te Hamburg-)
uit Noord-Duitsland.
Zijn werk en dat van zijn zoon Franz Caspar (1692-1729) vormt het
hoogtepunt van een ontwikkeling, waaraan meesters als Hans Scherer,
Heinrich en Esaias Compenius en Gottfried Fritzsche belangrijke
bijdragen leverden.
Dit hoogtepunt is door latere bouwers als König en Walcker niet meer
bereikt.
In
de tijd van de Schnitgers werkte er echter in Zuid-Duitsland een zeker
even geniaal orgelbouwergeslacht, dat van Silbermann.
De stijl van de Zuid-Duitse orgelbouw wijkt op verscheidene punten af
van de Noord-Duitse.
De registers Terts en Cornet komen veelvuldig voor.
Bovendien wordt lang niet altijd een rugpositief (rugwerk) gebouwd,
terwijl het aantal tongwerken vaak geringer is.
De familie Silbermann werkt hier gedurende ruim honderd jaar.
De meest beroemde vertegenwoordiger is Gottfried Silbermann (1683-1753).
Van hem is het orgel met drie manualen en pedaal in de Hofkerk te
Dresden.
In
Frankrijk heeft men altijd een bijzondere voorkeur voor tongwerken
gehad, evenals voor het completeren van de boventoonreeks met de terts.
Beroemde geslachten van orgelbouwers zijn de families Thierry, werkzaam
van ca. 1630-1740, en Clicquot.
Al
in de tweede helft van de 17e eeuw werkt er een Clicquot voor Lodewijk
XIV; een eeuw later is het François Henri Clicquot, die orgels bouwt in
de Notre Dame en in de Saint Sulpice te Parijs.
Dit laatste orgel heeft vijf manualen en niet minder dan 22 tongwerken.
De namen van de verschillende werken van Franse orgels zijn: Grand Orgue
(hoofdwerk) – Positif (rugwerk) – Récit (bovenwerk in de zwelkast),
Pédale (pedaal).
Bovendien kent men nog Bombarde (een werk in de zwelkast met vrijwel
uitsluitend tongwerken en vulstemmen, Echo en Solo, waarvan de namen
voor zichzelf spreken.
In
de 19e eeuw is in Frankrijk de meest toonaangevende bouwer Aristide
Cavaillé Coll (1811-1899).
Op zijn naam staan verscheidene uitvindingen, vernieuwingen en
verbeteringen zowel op het gebied van windvoorziening (magazijnbalg) als
mechaniek (toepassing van de Barker hefboom) en het geluid (vervolmaking
van de tongwerken).
In
dit verband wordt gewezen op de “Pastorale” van César Franck, door
de componist opgedragen aan “son ami Monsieur Aristide Cavaillé Coll”,
waarvan het staccato middendeel met de snelle zestiende noten in de
linkerhand moet worden uitgevoerd met o.a. de Trompet van het Récit.
Met dit werk, waarvoor een feilloze aanspraak van de pijpen noodzakelijk
is wilde Franck zijn dank en bewondering uiten tegenover de orgelbouwer,
die hem zulke onovertroffen tongwerken bezorgde.
In
Spanje worden vele kathedralen gesierd door grote instrumenten, vrijwel
alle gebouwd in de barokperiode.
Kenmerkend voor deze orgels is het kleine pedaal, dat soms uit maar
enkele toetsen bestaat, het grote aantal tongwerken (in de kathedraal
van Toledo zijn er 20 op een totaal van 39 stemmen), en het bouwen van
sommige tongwerken “en chamade, d.w.z. de bekers steken horizontaal
uit de orgelkast naar buiten.
In
hedendaagse orgelbouw worden zulke “Spaanse Trompetten” vaak
toegepast op grotere orgels ” (denk aan het hoofdorgel in de St.
Laurenskerk te Rotterdam en het orgel in de Doelen te Rotterdam).
In
Italië heeft men zich doorgaans tevreden gesteld met een éénklaviers
orgel, soms met aangehangen pedaal (zie het orgel van de Dorpskerk in
Vierpolders).
Engeland
bouwt aanvankelijk ook zeer bescheiden instrumenten.
Later komt de orgelbouw hier tot ontwikkeling.
De namen van de verschillende werken zij hier: Great (hoofdwerk) –
Choir (rugwerk) – Swell (bovenwerk in de zwelkast) – Pedal (pedaal).
De orgelbouw in
Nederland
Het
spreekt vanzelf dat de Nederlandse orgelbouw onze bijzondere
belangstelling verdient.
En dat niet alleen omdat wij regelmatig met de producenten van onze
bouwers te maken hebben.
Niet minder is deze belangstelling verdiend omdat de Nederlandse
orgelbouw voor de ontwikkeling van het instrument van onschatbare
betekenis is geweest.
Zoals
overal is het opvallend dat de orgelbouw vaak door enkele geslachten van
een zelfde familie bedreven wordt.
De orgelbouw met zijn vele ambachtelijke en ook kunstzinnige facetten is
dan ook een fascinerend beroep.
Uit
de orgelbouw vóór de 15e eeuw zijn ons geen namen bekend gebleven.
Uit de 15e eeuw kennen wij de namen van de fam. Van Elen en die van
Meester Peters.
In het orgel dat hij bouwde voor de Nicolaikerk te Utrecht,paste hij
voor het eerst boven het Hoofdwerk een Bovenwerk toe.
In
de volgende eeuw vinden wij de z.g. “Brabantse School”, waarvan de
fam. Niehoff de belangrijkste vertegenwoordiger is.
Nicolaas Niehoff bouwde de beide orgels in de Oude Kerk te Amsterdam,
die Jan Pietersz Sweelinck gedurende ruim 40 jaren bespeelde.
Deze orgels werden in 1567/1568 en in 1588 gerestaureerd door Peter
Jansz. De Swart.
De Niehoffs bouwden ook vele orgels in Duitsland (Hamburg, Lüneburg, Würzburg,
Keulen), terwijl vele van hun leerlingen zich daar vestigden.
Hierdoor is de invloed van de Brabanders op de Duitse orgelbouw
uitermate groot geworden.
In de 17e eeuw en 18e eeuw worden er in ons land vele monumentale orgels
gebouwd.
Zeer belangrijk door hun aan deel in de ontwikkeling van de orgelbouw in
Nederland zijn de families van Hagebeer en Duyschot.
Onder de Nederlandse bouwers van deze eeuwen treft men verscheidene
Duitse namen aan.
Dit waren dan ook veelal bouwers van Duitse afkomst, die zich hier
vestigden.
Bovendien bouwen Duitse firma’s hier soms fraaie instrumenten (Arp
Schnitger met het orgel in de Der A-kerk te Groningen in 1702 (zie foto),
Franz Casper Schnitger met het orgel in de Michaëlskerk te Zwolle in
1721, Christian Vatter met het orgel in de Oude Kerk van Amsterdam in
1726 en Wagner met het voormalige orgel in de Eusebiuskerk te Arnhem in
1770).

Foto
boven:
Der Aa kerk te Groningen (gerestaureerd in 2011)
Ook
na 1800 vinden wij in ons land degelijke orgelbouwers.
Echter doet zich dan ook hier het algemene tijdsverschijnsel gelden, dat
zich manifesteert in het toepassen van een relatief groot aantal 8 voets
registers ten koste van de vulstemmen.
De orgelklank heeft dan niet meer de grote helderheid van voorheen, doch
geeft niet veel meer dan nuanceringen van een zelfde, vrij saaie kleur.
De orgelbouw in Nederland
Verval
Zoals
eerder opgemerkt treedt er in de 19e eeuw een verandering op, die zich
tot in het begin van de 20e eeuw doorzet.
Deze verandering hangt ongetwijfeld samen met de smaakverandering, die
zich op alle gebied van de muziekbeoefening voordoet en die in de
kunstgeschiedenis gekarakteriseerd wordt als Romantiek.
Het
gevoel, de uitbeelding van de sentimenten, staat op het eerste plan.
De
uitingen hiervan in de orgelbouw zijn het al genoemde overwicht van de 8
voets registers met weglating van de nodige vulstemmen, het invoeren van
“gevoelige” stemmen als Aeoline, Voix céleste, Harmonia aetheria,
e.d., het toepassen van de zwelkast (meestal een bovenwerk dat in een
afgesloten kast is gebouwd en middels een trede is te openen, waardoor
het geluid sterker of zwakker wordt), niet zoals bij de Franse en
Spaanse orgels t.b.v. een uitgewogen kankplastiek, doch voor het
realiseren van overgevoeligheden.
Het
is wellicht niet in zijn geheel rechtvaardig deze dingen te
karakteriseren als uitingen van verval.
Zij, die zo bouwden en lieten bouwen, hebben, naar men mag aannemen, een
reëel, eigen ideaal verwezenlijkt, dat in latere jaren door volgende
geslachten niet gemakkelijk meer kan worden geapprecieerd.
Dit
is echter in alle tijden het geval geweest.
Een
andere zaak, die bepaald met meer recht als verval kan worden bestempeld
is die van de systemen en nog meer die van de materialen.
Het
is te begrijpen, dat toen de magazijnbalk (hoofdreservoirbalg met een
vertikaal bewegend bovenblad) het ongelimiteerde gebruik van gekoppelde
klavieren en compleet “volle werk” (alle registers open) mogelijk
gemaakt had, welk gebruik bevorderd werd door homofone stijl van de
Romantiek, die meer waardering had voor kwantitatieve effecten dan voor
kwalitatieve karakteristiek, de zware bespeelbaarheid van de grote
mechanische orgels hoe langer hoe meer als een last ondervonden werd.
Wij
zagen al dat deze moeilijkheid door Cavaillé Coll ondervangen werd door
toepassing van de Barker hefboom (toepassing van pneumatiek), welk
systeem door andere orgelbouwers op vele plaatsen eveneens is toegepast.
In
plaats van zich te bezinnen op een juiste toepassing van de wetten van
de mechanica waardoor ook bij de grootste orgels een lichte speelaard
mogelijk is, getuige de orgels van de laatste tientallen jaren, ging men
er toe over de in 1842 door Walcker geconstrueerde kegellade (windlade
waarbij toevoer van de wind vanuit de cancel naar de pijp geschiedt door
middel van een kegel die óf door middel van een menbraam, óf langs
mechanische weg wordt gelicht) te gebruiken met pneumatische tractuur.
Weliswaar
was het nu mogelijk, zonder enige verzwaring van de speelaard, vele
klavieren en windladen tegelijk te bedienen en konden er allerlei
speelhulpen worden gebruikt, toch werd een essentieel en naar onze
begrippen, onmisbaar element, n.l. het geheel eigen toucher (de manier
van “aanslaan” op de toetsen) van het mechanische orgel, onmogelijk.
Bovendien
waren de pneumatische orgels vaak lui (d.w.z. het geluid komt enige
onderdelen van seconden na het indrukken van de toets).
Dit euvel is opgelost door toepassing van elektrische tractuur (de wijze
van verbindingen tussen de windladen, klavieren en registers).
Ook deze gaf in het begin veelvuldig storingen door contactverbranding
en –vervuiling.
Door vocht en vuil in de kerk kreeg men “roest- en aanslagplekken op
de contacten).
De jongste ontwikkeling van de elektrische tractuur heeft bezwaren weten
te overwinnen, al blijft ook bij dit systeem het bezwaar van het
niet-rechtstreekse contact bestaan. (Je voelt niet dat je speelt).
Een
nog groter accent van verval is de vooral in het begin van de 20e eeuw
optredende toepassing van minderwaardige materialen (zie het vorige
orgel in de Dorpskerk van Vierpolders); zink i.p.v. een alliage van lood
en tin voor de metalen pijpen, vurenhout voor de windladen (soms aan de
buitenkant beplakt met eikenfineer of zelfs eikenbehangsel),
windvoorziening en kastwerk.
In
de jaren 30 van de vorige eeuw ontstond er in Duitsland een Orgelreform,
die consequent afrekent met de 19e eeuwse “verworvenheden” en
aansluiting zoekt bij de orgelbouw uit de bloeiperiode.
Dit
streven, dat ook het uitwisselen van de producten in diverse landen,
zoals dat ook in de bloeitijd gebeurde, ten gevolge heeft, heeft een
onuitwisbaar stempel gezet op de orgelbouw van de laatste halve eeuw.
 |

|
|
Verschillende soorten
orgelpijpen |
Foto's
van het pijpwerk van het orgel
in de Dorpskerk Vierpolders
|
ORGELBOUW
1: Geluid:
Wanneer
de lucht in voldoende mate in trilling wordt gebracht ontstaat er
geluid.
De trillingen delen zich mee aan ons oor en worden via een ingewikkeld
proces door de gehoorzenuwen overgebracht naar de hersenen.
Daar wordt a.h.w. aan ons bewustzijn verteld dat er een geluidsdruk is:
wij horen!
Richt
zich ons bewustzijn actief op deze geluidsdruk dan zijn wij in staat
deze te analyseren, te beleven, eventueel ervan te genieten, kortom: wij
luisteren!
Genoemde trillingen kunnen regelmatig en onregelmatig zijn.
REGELMATIGE
trillingen noemen wij TOON.
ONREGELMATIGE trillingen noemen wij GERUIS.
In
de muziek worden zowel tonen als geruisen gebruikt.
Tot geruisen behoort b.v. het geluid van een trom.
Het kerkorgel brengt alleen tonen voort.
2:
De eigenschappen van een toon:
Twee
tonen kunnen van elkaar verschillen in hoogte, sterkte, klankkleur en
duur.
a.
TOONHOOGTE.
Het aantal trillingen per seconde (tr/sec.), frequentie genoemd, is
beslissend voor de toonhoogte.
Hoe groter dus het aantal trillingen, hoe hoger de toon.
Niet alle frequenties kunnen door ons gehoor worden waargenomen.
De grens ligt beneden bij ± 16 tr/sec., naar boven bij ± 20.000 tr/sec.
I
b. TOONSTERKTE:
De regelmatige trillingen van een toon zouden kunnen worden voorgesteld
door een golvende lijn.
Wanneer wij midden door deze golflijn een rechte lijn trekken, zien wij
dat de beweging begint vanuit een rustpunt op deze rechte lijn.

De
golving bereikt een grens aan de ene kant van de lijn, verandert van
richting en bereikt door het rustpunt een grens aan de andere kant van
de lijn.
De afstand van de ene grens tot aan de andere noemen wij de wijdte van
de trilling of amplitudo.
Deze
trillingswijdte bepaalt de sterkte van de toon.
Hoe groter de trillingswijdte, hoe sterker de toon.
c:
KLANKKLEUR:
Onder
klankkleur, ook wel timbre genoemd, verstaan wij de typische eigen aard
van geluid, voortgebracht door een bepaald instrument.
Hierdoor is het dat wij het geluid van een fluit kunnen onderscheiden
van dat van b.v. een trompet.
Hoewel behorend tot het terrein van de algemene muziekleer zij hier
herinnerd aan het feit dat ons westerse toonstelsel dit gehele
toongebied indeelt in octaven.
Het octaaf, gevormd door de laagste c tot en met de laagste b, heet het
subcontra octaaf, de octaven daarboven heten achtereenvolgens contra
octaaf, groot octaaf, klein octaaf, ééngestreept-, tweegestreept-,
driegestreept-, viergestreept- en vijfgestreept octaaf.
De c van deze octaven (en uiteraard de andere tonen ervan op dezelfde
wijze) worden als volgt aangegeven:
C2
– C1 – C – c1 – c2 – c3 - c4 – c5
Ik
geef in het vervolg uitsluitend déze wijze van aangeven aan.
Bij
de totstandkoming van de klankkleur spelen de boventonen een belangrijke
rol.
Onder boventonen, ook wel bovenharmonische genoemd, verstaat men die
tonen, die bij de hoofdtoon klinken.
Wanneer het gehoor niet op het waarnemen van boventonen is gespitst,
veronderstelt men bij het beluisteren van b.v. een c slechts één toon
te horen.
Wanneer men met het bestaan van de boventonen wél op de hoogte is, zal
men bij scherp luisteren één of meer boventonen zonder verder
hulpmiddel kunnen onderscheiden.
Het
is mogelijk het bestaan van boventonen op eenvoudige wijze aan te tonen.
Wanneer men bij een blokfluit alle gaten sluit en de fluit zacht
aanblaast hoort men de toon c2.
Blaast men wat harder dan klinkt de toon c3, blaast men nog feller dan
slaat de toon over in g3.
Door proeven en met behulp van meetinstrumenten heeft men een grote rij
van boventonen kunnen vaststellen.
Kortom: De klankkleur van een toon wordt bepaald door het aantal, de
soort en de sterkte van boventonen, die de hoofdtoon vergezellen.
d:
TOONDUUR:
Dat
twee tonen ook van elkaar kunnen verschillen in duur spreekt voor
zichzelf.
Wij spreken van lange en korte tonen.
Het
orgel is in dit opzicht wel zeer bevoorrecht daar het de mogelijkheid
geeft een toon onbeperkt lang aan te houden.
Dit
bracht de componist Ch. Marie Widor tot de uitspraak:
“Terwijl strijk- en blaasinstrumenten,
piano en zangstem over een spontane en onmiddellijke accentuatie
beschikken,
spreekt het orgel als een filosoof.
De mogelijkheid dezelfde toon onbegrensd en onveranderd te laten
voortduren,
wekt in ons een religieuze voorstelling van de eeuwigheid
en hiertoe is alleen het orgel in staat.”
HET
PIJPWERK
VAN EEN ORGEL
Tijdens
de eeuwenlange ontwikkeling van het orgel is er een voortdurend streven
geweest in de klankkleur van de pijpen zoveel mogelijk variatie aan te
brengen.
Dit
heeft tot gevolg gehad dat wij de pijpen op verschillende manieren
kunnen onderscheiden.
1.
Naar de wijze waarop de toon wordt voorgebracht in lip- of labiaalpijpen
en tong- of linguaalpijpen.
 
a.
TONGPIJPEN.
Bij de tongpijp gaat de wind door de stevel (van hout of metaal) en
ontwijkt tussen de lepel (van messing of hardhout) en de veerkrachtige
tong (van fosforbrons of messing), waardoor de tong aan het trillen
wordt gebracht.
Deze deelt haar trillingen mee aan de luchtzuil, die zich in de
schalbeker (kortweg: beker) bevindt.
De tong brengt dus de toon voort, terwijl de beker deze toon omvormt tot
een bruikbaar timbre.
De lepel is bevestigd in de kop (van metaal of hout).
De kop sluit de stevel af.
De tong wordt met een houten wig op de lepel vastgedrukt.
De
stemkruik staat een langer of korter deel van de tong toe te trillen,
waardoor de toonhoogte wordt bepaald (het stemmen).
b. LIPPIJPEN.
Bij de lippijp stroomt de wind door de pijpvoet, vindt slechts door de
rechte spleet tussen het onderlabium (labium = lip) en de kern, de z.g.
kernspleet, een uitweg, wordt door de rand van het bovenlabium gekliefd,
waardoor tussen het onder- en bovenlabium luchtwervelingen ontstaan.
Hierdoor raakt de luchtzuil binnen het corpus van de pijp in trilling en
ontstaat dus de toon van de pijp.
2.
Naar het materiaal waarvan zij gemaakt zijn, in metalen en houten
pijpen.
De dwarsdoorsnede van een metalen pijp is altijd een cirkel, die van een
houten pijp en vierkant of een rechthoek.
Metalen
pijpen worden gemaakt van orgelmetaal, d.i. een alliage van lood en tin,
van roodkoper, of van (elektrolytisch) zink.
Dit laatste wordt om de lage prijs ook vaak toegepast, maar is om
redenen van minder fraaie klankvorming niet aan te bevelen.
Van zinken pijpen worden de labiums, de kern en de stemrol altijd van
orgelmetaal gemaakt.
Houten
pijpen worden gemaakt van eiken-, mahonie- of grenenhout.
Foto:
Deel
van de Prestant
4’
in het front van het orgel in de Dorpskerk
Labiaalpijpen
3.
In open, gedekte en halfgedekte pijpen.
Deze onderscheiding geldt alleen voor lippijpen.
Metalen
gedekte pijpen zijn aan de bovenzijde afgesloten met een z.g. hoed.
Deze hoed is met papier of vilt luchtdicht en toch schuifbaar (voor het
stemmen) op het corpus van de pijp aangebracht.
Houten gedekte pijpen zijn aan de bovenzijde afgesloten met een houten
stop, bekleed met vilt en leer, die schuifbaar is langs de binnenwanden
van de pijp (eveneens om te stemmen).
Ook
half gedekte pijpen worden aan de bovenzijde afgesloten met een houten
hoed.
In het bovenvlak van de hoed is een gat aangebracht waarop een metalen
buisje of roer is bevestigd.
Dit roer wordt soms binnen in de hoed aangebracht.
Open
pijpen laten in verhouding tot hun hoofdtoon de boventonen duidelijker
horen dan gedekte en halfgedekte pijpen.
Halfgedekte pijpen zijn weer boventoonrijker dan gedekte pijpen.
Gedekte en half gedekte pijpen klinken een octaaf lager dan open pijpen
van dezelfde lengte.
4.
Naar de wijdte van het corpus of de beker in verhouding tot hun lengte
in enge, normale en wijde pijpen.
In dit verband wordt vaak gesproken van MENSUUR.
Hieronder verstaat men dan de wijdte van de pijp.
Soms wordt dit woord echter ook gebruikt voor alle pijpafmetingen;
lengte, wijdte, labiumbreedte en opsnede.
Dit zijn dan de mensuren van de pijp.
Voor dit doel zal het woord mensuur alleen worden gebruikt voor de
wijdte van pijpcorpus of schalbeker.
Pijpen van enge mensuur laten in verhouding tot hun hoofdtoon de
boventonen duidelijker horen dan pijpen van normale en wijde mensuur.
“Normaalgemensueerde” pijpen zijn weer boventoonrijker dan
wijdgemensureerde.
Ook door een grotere labiumbreedte te kiezen of/en een lagere opsnede
kunnen de boventonen worden begunstigd, zij het binnen bepaalde grenzen.
Teneinde
een goede aanspraak (sneller of langzamer tot spreken komen van de pijp)
van de pijp te bevorderen worden soms aan beide zijden van het labium
z.g. baarden aangebracht (zijbaarden
- zie foto).
Ofschoon het klankkarakter van een orgelpijp door vorm, wijdte,
labiumbreedte, opsnede en gebruikt materiaal al in belangrijke mate is
bepaald, is het noodzakelijk dit karakter door afwerking van de opsnede
en de stand van labiums en kern, bij tongpijpen door het aanbrengen van
de juiste tongbuiging, verder te volmaken en te egaliseren.
Deze afwerking, waarvoor een zeer goed gehoor en groot vakmanschap
vereist zijn, heet intonatie.
5.
Naar de vorm van het corpus of de beker in cilindrische, conische en
trechtervormige pijpen.
Cilindrisch wil zeggen: overal even wijd; conisch: naar boven spits
toelopend; trechtervormig: naar boven wijd uitlopend.
Om
een toon van een bepaald aantal trillingen per seconde te verkrijgen is
een pijp van een bepaalde lengte nodig.
Voor een lippijp wil dat zeggen corpuslengte; de lengte van de voet doet
namelijk niet terzake.
Voor een tongpijp wil het zeggen bekerlengte, alsook de lengte van de
tong.
Tussen deze twee moet een bepaalde verhouding bestaan wil de pijp goed
klinken.
Is het pijpcorpus kort, dan trilt de luchtzuil erbinnen snel, de toon is
hoog.
Is het pijpcorpus lang, dan trilt de luchtzuil erbinnen langzaam, de
toon is laag.
Uit
het feit, dat de toon, die een octaaf hoger klinkt dan een gegeven toon,
tweemaal zoveel trillingen per seconde heeft, gecombineerd met de wet
van de lange en de korte luchtzuil, volgt, dat de pijp, die deze hogere
toon voortbrengt, de halve lengte heeft.
Uit het feit, dat een gedekte of halfgedekte pijp een octaaf lager
klinkt dan een open pijp van dezelfde lengte, volgt, dat men, ten einde
ruimte en materiaal te besparen, voor zeer laag klinkende tonen gaarne
gedekte pijpen gebruikt.
Dit
natuurlijk afgezien van het eigen klankkarakter van gedekte pijpen.
Onderstaand
de afbeeldingen van de soorten pijpwerk

De
registers in het kort.
Inleiding
registers
Bouwt
men voor elke toets van een klavier een pijp van dezelfde klankkleur,
dan ontstaat er een pijpenrij, die men register of ook wel stem noemt.
Registers, gevormd door lippijpen heten labialen
Registers, gevormd door tongpijpen het lingualen of tongwerken.
Om
een register te verkrijgen van normale toonhoogte, d.w.z. a¹ =
440 tr/sec., moet men een rij pijpen bouwen waarvan de grootste
8 voet
, d.i. ±
2.40 meter
, lang is.
Het gehele register wordt naar deze langste pijp een 8 voetsregister
genoemd.
Dit wordt aangegeven door achter de naam van het register de aanduiding
8’
te plaatsen.
Bij sommige orgels (in het bijzonder de oude) staat er dan 8 vt (of v)
Wij zagen, dat gedekte pijpen een octaaf lager klinken dan open pijpen
van dezelfde lengte
Hieruit volgt, dat bij een register van gedekte pijpen van normale
toonhoogte de grootste pijp slechts
4 voet
lang is.
Toch noemen wij ook dat een 8 voets register.
Wij gaan dus uiteindelijk af op de klank.
Ieder
goed orgel heeft behalve een kern van 8 voets registers in verscheidene
klankkleuren en één of meer 16 voets registers (meestal, wegens de
grote lengte in open uitvoering, gebouwd als gedekte stem), een aantal
registers in voethoogten van de verschillende boventonen als 4’
(=8’:2), 2²/3’ (8’:3),
2’
(=8’:4), 1 ³/5 (8’:5), enz.
Trekken
wij nu een
8’
,
4’
, 2²/3’,
2’
en een 1 ³/5‘ register open en slaan wij de toets C (de laagste toets
dus) aan dan klinken de tonen C – c – g - c¹ en e¹;
Slaan wij D aan dan horen wij D – d – a - d¹ - en fis¹; enz.
GRONDSTEMMEN:
Wij zien dat er in de reeksen, zoals gegeven in deel 12 bij de
inleiding, tonen voorkomen waarvan de naam overeenkomt met die van de
aangeslagen toets.
De registers, die deze tonen voortbrengen, dus
8’
,
4’
,
2’
(en ook
16’
en eventueel
32’
), noemt men grondstemmen.
Op het orgel in de Dorpskerk is dit: Holpijp
8’
- Praestant
8’
– Flute Travêrs
8’
– Fluyt
4’
– Prestant
4’
– Octaaf
2’
VULSTEMMEN:
De registers 2²/3’ en 1 ³/5‘, waarvan de namen van de
voortgebrachte tonen niet overeenkomen met die van de aangeslagen toets,
noemt men “enkelvoudige vulstemmen”.
Het orgel in de Dorpskerk heeft als enkelvoudige vulstemmen de Quint
3’
Worden verschillende boventoonreeksen verenigd in één register dan
ontstaat er een “samengestelde vulstem”.
Zulk een vulstem heeft dus voor elke toets twee of meer pijpen van
verschillende hoogte.
Wij spreken van 2-sterk, 3-sterk, enz.
Op
het orgel in de Dorpskerk is dit: Cornet 3 sterk (zie foto boven).
De cornet (en ook de Sesquialter en de Tertiaan) hebben echter behalve
octaaf- en quintrijen (ook wel koren genoemd) een tertsrij.
Deze registers lopen doorgaans niet vanaf C, maar vanaf g of c¹.
Is b.v. de Cornet 3-sterk dan is de samenstelling:
8’
,
4’
2²/3’.
Op c¹ klinken dus de tonen c¹ - c² - g².
TONGWERKEN:
Deze
worden vrijwel uitsluitend in de voethoogten
16’
–
8’
–
4’
en
2’
gebouwd.
In Amerika schijnt een enkele maal op een zeer groot orgel b.v. een Hobo
5¹/3’ voor te komen.
Het orgel in de Dorpskerk heeft geen tongwerken.
Tongwerken zijn o.a. Trompet – Dulciaan – Bazuin – Schalmei –
Hobo.
5.
Dispositie
Onder
dispositie verstaan wij het geheel van registers dat een orgel bevat.
Bij de samenstelling van een dispositie zal men streven naar een zo
groot mogelijke verscheidenheid van klankkleuren in diverse voethoogten,
opgebouwd uit grondstemmen, vulstemmen en tongwerken.
Het
is voor de begeleiding van de gemeentezang gewenst de registers te
verdelen over twee klavieren en pedaal, o.m. om de mogelijkheid te
scheppen van het spelen “met uitkomende stem”.
De totaalklank van het orgel, als ook die van de klavieren afzonderlijk,
dient een goed geheel te vormen.
Het samenstellen van een goede dispositie is dan ook een moeilijk en
verantwoordelijk werk.
Hiermee in nauw verband staat de eis tot een juiste mensurering van de
pijpen, zodat het mogelijk wordt de intonatie zó te doen zijn dat de
timbres van de stemmen goed bij elkaar passen en voldoende zijn
aangepast aan de ruimte waarin het instrument staat opgesteld.
Om
een inzicht te krijgen in de opbouw van verschillende disposities
bestaat er een overzicht met namen en de meest voorkomende voethoogten
van de belangrijkste grondstemmen, vulstemmen en tongwerken.
Heel veel is afhankelijk van ruimte, akoestiek, beschikbaar budget en
plaatsing.
Smaak en inzicht spelen ook een belangrijke rol.
Vaak wordt ook gerefereerd aan al bestaande orgels.
Soms, zoals in de Dorpskerk van Vierpolders, maakt men een exacte kopie
van een historisch orgel.
Het originele orgel wordt ontleed m.b.t. de samenstelling van de
materialen en gebruikte metaallegeringen.
Het is begrijpelijk dat dit alleen gedaan kan worden door orgelbouwers
en adviseurs met een enorme ervaring en vakmanschap.
In de Dorpskerk van Vierpolders is dit met succes gedaan.
Overzicht
van de belangrijkste grondstemmen, vulstemmen en tongwerken:
|
LABIALEN
|
|
Grond-
Stem-
men
|
Cilindrisch
|
Conisch
|
Trechtervormig
|
|
ENG
|
Open
|
Gedekt
|
Halfgedekt
|
Open
|
Gedekt
|
Open
|
|
Aeoline
8’
|
Quintade-na
16’
,
8’
,
4’
|
|
Spitsgamba
8’
|
|
Dolce
8’
|
|
Viola
di Gamba
8’
|
|
|
|
|
|
|
Salicionaal
8’
|
|
|
|
|
|
|
Violon
16’
,
8’
|
|
|
|
|
|
|
Voix
céleste
8’
|
|
|
|
|
|
|
Nor-maal
|
Vioolprestant
8’
|
Subbas
16’
|
Roerfluit
8’
,
4’
|
Spitsprestant
8’
,
4’
,
2’
|
Spitsgedekt
16’
,
8’
|
Tolkaan
8’
,
4’
|
|
Prestant
16’
,
8’
,
4’
,
2’
|
Bourdon
16’
,
8’
|
|
Spitsoctaaf
4’
,
2’
,
1’
|
|
|
|
Octaaf
8’
,
4’
,
2’
|
Gedekt
8’
|
|
|
|
|
|
Octaafbas
8’
|
Holpijp
8’
|
|
|
|
|
|
Wijd
|
Open
fluit
8’
,
4’
|
Wijdgedekt
8’
|
Koppelfluit
8’
,
4’
|
Gemshoorn
8’
,
4’
,
2’
|
|
|
|
Nachthoorn
4’
,
2’
|
Gedekte
fluit
4’
|
|
Baarpijp
8’
,
4’
|
|
|
|
Flageolet
2’
,
1’
|
|
|
Blokfluit
2’
,
1’
|
|
|
|
Vulstem-
men
|
Enkel-
voudig
|
Quint
2 2/3’, 1 1/3’
|
|
Roerquint
2 2/3’
|
Nasard
2 2/3’, 1 1/3’
|
|
|
|
Terts
1 3/5’
|
|
|
|
|
|
|
Samen
gesteld
|
Ruispijp
2 2/3’
|
|
|
|
|
|
|
Mixtuur
2’
, 1 1/3’
|
|
|
|
|
|
|
Scherp
1’
, 2/3’
|
|
|
|
|
|
|
Cymbel
½’
|
|
|
|
|
|
|
Cornet
|
|
|
|
|
|
|
Sesqualter
|
|
|
|
|
|
|
Tertiaan
|
|
|
|
|
|
|
Tongwerken
|
|
Cilindrisch
|
Conisch
|
Trechtervormig
|
Kortbekerig
|
|
Eng
|
Kromhoorn
8’
,
4’
|
Musette
8’
,
4’
|
Basson-Hobo
8’
,
4’
|
Trechterregaal
16’
,
8’
|
|
Nor-maal
|
Dulciaan
16’
,
8’
,
4’
|
|
Schalmei
4’
|
Vox
Humana
8’
|
|
Wijd
|
Cinck
4’
,
2’
|
|
Trompet
16’
,
8’
,
4’
|
Ranket
16’
,
8’
|
|
|
|
Bazuin
16’
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
6:
Stemming.
1:
Lippijpen.
De
lengte van open, metalen pijpen en daarmee de voortgebrachte toonhoogte
kan worden veranderd door de stemrol met een stemijzer omlaag of omhoog
te tikken.
Indien omlaag, dan wordt de trillende luchtzuil korter en dus de toon
hoger, en andersom.
Soms bevindt zich aan de bovenkant van de pijp in plaats van een stemrol
een stemring, d.i. een orgelmetalen ring die zich door veerkracht van
het metaal om de pijp klemt.
Hiermee kan de pijp dus worden verlengd of verkort.
Houten
open pijpen kunnen worden gestemd door een stemschuif of een stemlap
omhoog of omlaag te slaan.
Zeer kleine metalen pijpen worden gestemd met een stemhoorn.
Zij hebben geen steminrichting en worden lager van toon door de
bovenrand in te wrijven, hoger door deze uit te wrijven.
Metalen en houten gedekte of halfgedekte pijpen worden gestemd door een
hoed, resp. de stop omhoog of omlaag te schuiven.
2:
Tongpijpen.
Deze
worden gestemd door de stemkruk omhoog of omlaag te tikken.
Omhoog wordt de tong langer, dus de toon lager en andersom.
Het bijstemmen van de tongwerken is nogal eens nodig, vooral bij
temperatuurswisselingen.
Hoewel daarbij eigenlijk de labialen veranderen van toonhoogte, stemmen
wij toch de tongwerken bij, omdat deze geringer in aantal zijn.
Het is daarom van belang dat een organist in staat is zelf de tongwerken
zuiver te houden.
Let er wel op dat er niet te hard wordt getikt op de kruk.
Het gaat bij het wegnemen van het laatste restje onzuiverheid soms om
een fractie van een millimeter hoger of lager.
Hoe
kunnen wij nu horen op een toon zuiver is?
Door te letten op de zweving, die het hoorbare kenmerk van onzuiverheid
is.
Bij het te stemmen tongwerk trekken wij een register, dat zuiver gestemd
is.
Slaan wij nu een toets aan dan horen wij, wanneer de tongpijp onzuiver
is, een zweving die sneller is naarmate de pijp onzuiverder is.
Nu
is de vraag of de pijp te hoog of te laag is.
Er is veel oefening nodig om dit direct te horen.
Wij kunnen het echter ook proefondervindelijk te weten komen.
Wij tikken de stemkruk voorzichtig wat omhoog.
Wordt de zweving nu sneller, dan zijn wij op de verkeerde weg.
Wordt de zweving minder snel, dan tikken wij voorzichtig door tot de
zweving geheel verdwenen is en de stemming “strak” staat.
Vooral
wanneer wij nog niet voldoende routine hebben gebeurd het vaak dat wij
door het punt van zuiverheid heenslaan en er een nieuwe zweving komt.
Dan natuurlijk niet doortikken, maar de andere kant uit tikken.
Is de onzuiverheid een gevolg van de temperatuurswisseling dan kunnen
wij erop rekenen dat alle stemkrukken in de zelfde richting moeten
worden getikt.
Hiervoor gelden de volgende regels:
Is de temperatuur lager dan bij de vorige stemming, dan moeten de
tongwerken ook lager worden gestemd.
Stemkruk omhoog.
Is de temperatuur hoger dan bij de vorige stemming, dan moeten de
tongwerken ook hoger worden gestemd.
Stemkruk omlaag.
De
volgende tabel geeft aan met welke registers wij de tongwerken kunnen
stemmen.
Achtvoets
tongwerken - Octaaf
4’
of Prestant
4’
Viervoets
tongwerken - Octaaf
4’
en een (vooraf zuiver gestemd) tongwerk
8’
.
Zestienvoets
tongwerken - Tongwerk8’ (vooraf zuiver gestemd), soms ook alleen met
de Octaaf
4’
.
7: Windvoorziening

De
wind voor de pijpen en zo nodig voor de tractuur (de wijze van
verbinding tussen de windladen, klavieren en registers) wordt geleverd
door een windmachine.
Dit is een elektromotor waaraan een schoepenrad is bevestigd
(ventilator).
De windmachine drijft de wind in één of meer regulateurs.
Tussen regulateur en windmachine bevindt zich een reguleerkast met
rolgordijn.
Het rolgordijn is verbonden met het bovenblad van de regulateur.
Dit bovenblad is belast met stukken ijzer of steen.
Is de regulateur voldoende met wind gevuld, dan is het rolgordijn
gesloten.
Zodra er wind verbruikt wordt, zakt het bovenblad en wordt het
rolgordijn opgetrokken, zodat de windmachine nieuwe wind kan toevoeren.
Som wordt i.p.v. een rolgordijn een reguleerklep toegepast.
De hoogte van de winddruk wordt uitgedrukt in millimeter waterdruk.
Om
de wind te meten gebruikt men een z.g. windwaag.
Dit is een U-vormig gebogen glazen buis, waaraan een gummislang met
mondstuk is bevestigd.
In de regulateur boort men een gat waarin het mondstuk past.
De glazen buis wordt gedeeltelijk met water gevuld.
Wanneer de windmachine loopt, wordt het water opgestuwd, d.w.z. het
daalt in het ene been en stijgt in het andere been van de buis.
Het verschil in millimeters tussen beide wateroppervlakken geeft de
hoogte van de winddruk aan.
De winddruk wordt geregeld door de belasting van het bovenblad groter of
kleiner te maken.
In plaats van stukken ijzer of steen gebruikt men ook wel stalen
trekveren, die meer of minder gespannen kunnen worden.
De normale winddruk bedraagt 60 tot
70 millimeter
.
Door houten kanalen, flexibele buizen of metalen smalle buizen, wordt de
wind uit de regulateur in de windladen gevoerd.
Om
de voortplanting van motortrillingen tegen te gaan, worden verscheidene
maatregelen genomen.
* De windmachine wordt op veren geplaatst of verend
opgehangen.
*
Tussen de windmachine en de reguleerkast wordt een z.g. soepele
koppeling aangebracht, gemaakt van rubber of
schapenleer.
*
Om de windmachine wordt een dubbelwandige geluiddempende kast
aangebracht.
De
windmachine wordt bij voorkeur in of vlak bij het orgel geplaatst; in
ieder geval zo, dat de aangezogen lucht dezelfde temperatuur heeft dan
die in de kerkruimte, om ontstemming van het pijpwerk te voorkomen.
Voordat de windmachine kon worden toegepast bevatte ieder orgel een
grote magazijnbalg die door het pompen of trappen van schepbalgen werd
gevuld.
Zo ontstond er een reservoir van orgelwind, waarmee de organist enige
tijd toekon.
Op
vrijwel alle orgels vindt men een Tremulant.
Dit is een klein balgapparaat, dat dient om regelmatige golving in de
windtoevoer tot het pijpwerk te veroorzaken.
8.
Windladen
Op
de windladen staan de pijpen.
In de windladen wordt de orgelwind verdeeld en wel zo dat iedere pijp
(bij samengestelde vulstemmen iedere pijpengroep) apart kan worden
aangeblazen, of, naar het believen van de organist, in combinatie met
een willekeurig aantal andere pijpen.
In
grote trekken worden pijpen zó opgesteld dat de pijpenrij voor ieder
register, (dus voor iedere toets een pijp met dezelfde klankkleur) de
lengte van de windlade beslaat.
Deze rij noemen wij de registerrij.
Om
ons verder niet te verliezen in theoretische beschouwingen en vooral om
de tekeningetjes niet te ingewikkeld te maken, zullen we in dit
hoofdstuk uitgaan van een orgeltje met twaalf toetsen en drie registers.
De
toetsen zijn:
c, cis, dis, d, dis, e, f, fis, g, gis, a, ais en b.
De
namen zijn op de foto aangegeven.
Stukje
van het klavier van de Dorpskerk te Vierpolders.
De
registers zijn:
Holpijp 8 – Prestant
4’
en Mixtuur 2-sterk.
De
registers zijn op de foto aangegeven.
Stukje van de registerplaats van het orgel in de Dorpskerk van
Vierpolders.
De
Dorpskerk heeft geen Mixtuur, wel de Holpijp en de Prestant.
De
registerrijen bevatten dus resp. 12, 12 en 24 pijpen, de toetsenrijen
steeds 4 pijpen (1 Holpijp-, 1 Prestant- en 2 Mixtuurpijpen).
Bekijken
wij de windlade met pijpen van boven, dan zien wij het volgende beeld:
Dit
is de z.g. chromatische opstelling.
Door de wijdste pijpen “zigzag” (in de orgelbouw noemt men dit “in
verband”) te plaatsen kan de windlade belangrijk korter worden, al
neemt hierdoor de breedte wat toe.
De opstelling van de pijpen op de windlade kan op allerlei manieren
plaatsvinden.
De
pijpen staan in pijproosters en op pijpstokken.
Deze “roosters” en “stokken” lopen in de lengterichting van de
lade en bevatten dus registerrijen of gedeelten daarvan.
De roosters worden op hun plaats en op de juiste afstand van de stokken
gehouden door stempels.
De mixtuurstok heeft verboringen om het mogelijk te maken de twee pijpen
per toets door één aanvoergat te blazen.
a:
de tooncancel-lade;
b: de registercancel-lade;
c: de unit-lade.
Bovenstaande
laden worden afzonderlijk besproken.
Een
kijkje binnenin het orgel van de Dorpskerk in Vierpolders.
Links:
de Prestant
8’
Midden:
de Fluyt
4’
Rechts:
de Holpijp
8’
De
tooncancellade
Bij
dit ladetype is het raamwerk door tussenschotten, scheien genoemd,
verdeelt in een aantal vakken, gelijk aan het aantal toetsen.
In ons voorbeeld geval dus 12.
Hiermee is dus een indeling van de lade gemaakt t.b.v. de toetsenrijen.
Aan beide zijden van dit cancellenraam wordt een afdekplaat gelijmd
waarmee de tooncancellen compleet zijn.
In
de bovenste afdekplaat zij
n de gaten geboord op de plaats waarboven straks de aanvoergaten van de
stokken komen, in ons voorbeeld geval dus 12 x 3 gaten.
In de onderste afdekplaat zijn rechthoekige gaten gezaagd waartegen
later de kleppen of ventielen verend worden aangebracht.
In plaats van met afdekplaten werden vroeger de cancellen afgesloten
door tussen de scheien zowel onder als boven dunne latjes te lijmen.
Zulke latjes heten sponsels.
Men onderscheidt dus ondersponsels en bovensponsels.
Onder
de onderste afdekplaat wordt de kleppenkast bevestigd, die aan de
voorzijde wordt afgesloten door een wegneembare voorslag.
In deze kleppenkast wordt de wind ingevoerd.
De kleppen worden aan de bovenkant bekleed met vilt en leer en aan de
onderkant verbonden met een metalen draad, de schalm, die weer bevestigd
is aan de pulpeet.
Een pulpeet is een luchtzakje van soepel leer dat op het onderblad van
de ventielkast wordt gelijmd.
Dit
onderblad wordt daarom ook wel pulpetenplank genoemd; in deze plank
worden evenveel gaten geboord als er ventielen zijn.
De pulpeten sluiten deze gaten af en maken het mogelijk de kleppen van
buiten de windlade aan te trekken zonder verlies van wind.
Zo kunnen dus de toetsrijen afzonderlijk worden bediend.
Om nu ook iedere registerrij afzonderlijk te kunnen gebruiken, worden er
op de bovenste afdekplaat dunne latten, z.g. dammen, gelijmd en wel zo
dat er smalle sleuven ontstaan waarin zich de gaten van de registerrijen
bevinden.
Op deze dammen worden later de pijpstokken geschroefd.
In de sleuven liggen de slepen
Dit zijn lange stroken gemaakt van kunststof, plexiglas, celeron, e.d.,
waarin gaten zijn geboord precies op de afstanden van de gaten in de
sleuf; dat zijn dus de zelfde afstanden waarop de aanvoergaten in de
pijpstokken zijn geboord.
De slepen zijn schuifbaar.
Wanneer
de drie gaten, dus in afdekplaat, sleep en pijpstok boven elkaar liggen
is er een open verbinding tussen tooncancel en pijpvoet; wordt er nu een
ventiel geopend dan kan de wind uit de kleppenkast door de cancel en
deze open verbinding de pijp aanblazen.
Wordt de sleep verschoven dan is de verbinding verbroken en kan er geen
enkele pijp van deze registerrij meer “spreken”.
Voorlopers van de sleeplade zijn de blokwerkladen en de springladen.
Onderstaand
een eerder beschreven kijkje in de cancellade.
Onder: Dwarsdoorsnede tooncancellade

Onder: Laden met dammen, slepen en pijpstok

Dispositie
Onder
dispositie verstaan wij het geheel van registers dat een orgel bevat.
Bij
de samenstelling van een dispositie zal men streven naar een zo groot
mogelijke verscheidenheid van klankkleuren in diverse voethoogten,
opgebouwd uit grondstemmen, vulstemmen en tongwerken.
Het is voor de begeleiding van de gemeentezang gewenst de registers te
verdelen over twee klavieren en pedaal, o.m. om de mogelijkheid te
scheppen van het spelen “met uitkomende stem”.
De totaalklank van het orgel, als ook die van de klavieren afzonderlijk,
dient een goed geheel te vormen.
Het
samenstellen van een goede dispositie is dan ook een moeilijk en
verantwoordelijk werk.
Hiermee in nauw verband staat de eis tot een juiste mensurering van de
pijpen, zodat het mogelijk wordt de intonatie zó te doen zijn dat de
timbres van de stemmen goed bij elkaar passen en voldoende zijn
aangepast aan de ruimte waarin het instrument staat opgesteld.
Om
een inzicht te krijgen in de opbouw van verschillende disposities
bestaat er een overzicht met namen en de meest voorkomende voethoogten
van de belangrijkste grondstemmen, vulstemmen en tongwerken.
Heel
veel is afhankelijk van ruimte, akoestiek, beschikbaar budget en
plaatsing.
Smaak en inzicht spelen ook een belangrijke rol.
Vaak
wordt ook gerefereerd aan al bestaande orgels.
Soms, zoals in de Dorpskerk van Vierpolders, maakt men een exacte kopie
van een historisch orgel.
Het originele orgel wordt ontleed m.b.t. de samenstelling van de
materialen en gebruikte metaallegeringen.
Het is begrijpelijk dat dit alleen gedaan kan worden door orgelbouwers
en adviseurs met een enorme ervaring en vakmanschap.
In de Dorpskerk van Vierpolders is dit met succes gedaan.
Overzicht
van de belangrijkste grondstemmen,
vulstemmen en tongwerken:
|
LABIALEN
|
|
Grondstem-
men
|
Cilindrisch
|
Conisch
|
Trechtervormig
|
|
ENG
|
Open
|
Gedekt
|
Halfgedekt
|
Open
|
Gedekt
|
Open
|
|
Aeoline
8’
|
Quintade-na
16’
,
8’
,
4’
|
|
Spitsgamba
8’
|
|
Dolce
8’
|
|
Viola
di Gamba
8’
|
|
|
|
|
|
|
Salicionaal
8’
|
|
|
|
|
|
|
Violon
16’
,
8’
|
|
|
|
|
|
|
Voix
céleste
8’
|
|
|
|
|
|
|
Normaal
|
Vioolprestant
8’
|
Subbas
16’
|
Roerfluit
8’
,
4’
|
Spitsprestant
8’
,
4’
,
2’
|
Spitsgedekt
16’
,
8’
|
Tolkaan
8’
,
4’
|
|
Prestant
16’
,
8’
,
4’
,
2’
|
Bourdon
16’
,
8’
|
|
Spitsoctaaf
4’
,
2’
,
1’
|
|
|
|
Octaaf
8’
,
4’
,
2’
|
Gedekt
8’
|
|
|
|
|
|
Octaafbas
8’
|
Holpijp
8’
|
|
|
|
|
|
Wijd
|
Open
fluit
8’
,
4’
|
Wijdgedekt
8’
|
Koppelfluit
8’
,
4’
|
Gemshoorn
8’
,
4’
,
2’
|
|
|
|
Nachthoorn
4’
,
2’
|
Gedekte
fluit
4’
|
|
Baarpijp
8’
,
4’
|
|
|
|
Flageolet
2’
,
1’
|
|
|
Blokfluit
2’
,
1’
|
|
|
|
Vulstemmen
|
Enkelvou-
dig
|
Quint
2 2/3’, 1 1/3’
|
|
Roerquint
2 2/3’
|
Nasard
2 2/3’, 1 1/3’
|
|
|
|
Terts
1 3/5’
|
|
|
|
|
|
|
Samen-
gesteld
|
Ruispijp
2 2/3’
|
|
|
|
|
|
|
Mixtuur
2’
, 1 1/3’
|
|
|
|
|
|
|
Scherp
1’
, 2/3’
|
|
|
|
|
|
|
Cymbel
½’
|
|
|
|
|
|
|
Cornet
|
|
|
|
|
|
|
Sesqualter
|
|
|
|
|
|
|
Tertiaan
|
|
|
|
|
|
| |
|
Tongwerken
|
|
Cilindrisch
|
Conisch
|
Trechtervormig
|
Kortbekerig
|
|
Eng
|
Kromhoorn
8’
,
4’
|
Musette
8’
,
4’
|
Basson-Hobo
8’
,
4’
|
Trechterregaal
16’
,
8’
|
|
Normaal
|
Dulciaan
16’
,
8’
,
4’
|
|
Schalmei
4’
|
Vox
Humana
8’
|
|
Wijd
|
Cinck
4’
,
2’
|
|
Trompet
16’
,
8’
,
4’
|
Ranket
16’
,
8’
|
|
|
|
Bazuin
16’
|
|
6:
Stemming.
1:
Lippijpen.
De
lengte van open, metalen pijpen en daarmee de voortgebrachte toonhoogte
kan worden veranderd door de stemrol met een stemijzer omlaag of omhoog
te tikken.
Indien omlaag, dan wordt de trillende luchtzuil korter en dus de toon
hoger, en andersom.
Soms bevindt zich aan de bovenkant van de pijp in plaats van een stemrol
een stemring, d.i. een orgelmetalen ring die zich door veerkracht van
het metaal om de pijp klemt.
Hiermee kan de pijp dus worden verlengd of verkort.
Houten
open pijpen kunnen worden gestemd door een stemschuif of een stemlap
omhoog of omlaag te slaan.
Zeer kleine metalen pijpen worden gestemd met een stemhoorn.
Zij hebben geen steminrichting en worden lager van toon door de
bovenrand in te wrijven, hoger door deze uit te wrijven.
Metalen en houten gedekte of halfgedekte pijpen worden gestemd door een
hoed, resp. de stop omhoog of omlaag te schuiven.
2:
Tongpijpen.
Deze
worden gestemd door de stemkruk omhoog of omlaag te tikken.
Omhoog wordt de tong langer, dus de toon lager en andersom.
Het bijstemmen van de tongwerken is nogal eens nodig, vooral bij
temperatuurswisselingen.
Hoewel daarbij eigenlijk de labialen veranderen van toonhoogte, stemmen
wij toch de tongwerken bij, omdat deze geringer in aantal zijn.
Het is daarom van belang dat een organist in staat is zelf de tongwerken
zuiver te houden.
Let er wel op dat er niet te hard wordt getikt op de kruk.
Het gaat bij het wegnemen van het laatste restje onzuiverheid soms om
een fractie van een millimeter hoger of lager.
Hoe
kunnen wij nu horen op een toon zuiver is?
Door te letten op de zweving, die het hoorbare kenmerk van onzuiverheid
is.
Bij het te stemmen tongwerk trekken wij een register, dat zuiver gestemd
is.
Slaan wij nu een toets aan dan horen wij, wanneer de tongpijp onzuiver
is, een zweving die sneller is naarmate de pijp onzuiverder is.
Nu is de vraag of de pijp te hoog of te laag is.
Er is veel oefening nodig om dit direct te horen.
Wij kunnen het echter ook proefondervindelijk te weten komen.
Wij tikken de stemkruk voorzichtig wat omhoog.
Wordt de zweving nu sneller, dan zijn wij op de verkeerde weg.
Wordt de zweving minder snel, dan tikken wij voorzichtig door tot de
zweving geheel verdwenen is en de stemming “strak” staat.
Vooral wanneer wij nog niet voldoende routine hebben gebeurd het vaak
dat wij door het punt van zuiverheid heenslaan en er een nieuwe zweving
komt.
Dan natuurlijk niet doortikken, maar de andere kant uit tikken.
Is de onzuiverheid een gevolg van de temperatuurswisseling dan kunnen
wij erop rekenen dat alle stemkrukken in de zelfde richting moeten
worden getikt.
Hiervoor
gelden de volgende regels:
Is de temperatuur lager dan bij de vorige stemming, dan moeten de
tongwerken ook lager worden gestemd.
Stemkruk omhoog.
Is de temperatuur hoger dan bij de vorige stemming, dan moeten de
tongwerken ook hoger worden gestemd.
Stemkruk omlaag.
De volgende tabel geeft aan met welke registers wij de tongwerken kunnen
stemmen.
Achtvoets tongwerken
Octaaf
4’
of Prestant
4’
Viervoets
tongwerken
Octaaf
4’
en een (vooraf zuiver gestemd) tongwerk
8’
.
Zestienvoets
tongwerken
Tongwerk8’ (vooraf zuiver gestemd), soms ook alleen met de Octaaf
4’
.

7:
Windvoorziening

De
wind voor de pijpen en zo nodig voor de tractuur (de wijze van
verbinding tussen de windladen, klavieren en registers) wordt geleverd
door een windmachine.
Dit is een elektromotor waaraan een schoepenrad is bevestigd
(ventilator).
De
windmachine drijft de wind in één of meer regulateurs.
Tussen regulateur en windmachine bevindt zich een reguleerkast met
rolgordijn.
Het rolgordijn is verbonden met het bovenblad van de regulateur.
Dit bovenblad is belast met stukken ijzer of steen.
Is
de regulateur voldoende met wind gevuld, dan is het rolgordijn gesloten.
Zodra er wind verbruikt wordt, zakt het bovenblad en wordt het
rolgordijn opgetrokken, zodat de windmachine nieuwe wind kan toevoeren.
Som
wordt i.p.v. een rolgordijn een reguleerklep toegepast.
De hoogte van de winddruk wordt uitgedrukt in millimeter waterdruk.

Om
de wind te meten gebruikt men een z.g. windwaag.
Dit is een U-vormig gebogen glazen buis, waaraan een gummislang met
mondstuk is bevestigd.
In de regulateur boort men een gat waarin het mondstuk past.
De glazen buis wordt gedeeltelijk met water gevuld.
Wanneer de windmachine loopt, wordt het water opgestuwd, d.w.z. het
daalt in het ene been en stijgt in het andere been van de buis.
Het verschil in millimeters tussen beide wateroppervlakken geeft de
hoogte van de winddruk aan.
De
winddruk wordt geregeld door de belasting van het bovenblad groter of
kleiner te maken.
In plaats van stukken ijzer of steen gebruikt men ook wel stalen
trekveren, die meer of minder gespannen kunnen worden.
De normale winddruk bedraagt 60 tot
70 millimeter
.
Door
houten kanalen, flexibele buizen of metalen smalle buizen, wordt de wind
uit de regulateur in de windladen gevoerd.
Om de voortplanting van motortrillingen tegen te gaan, worden
verscheidene maatregelen genomen.
*
De windmachine wordt op veren geplaatst of verend opgehangen.
* Tussen de windmachine en de reguleerkast wordt een z.g.
soepele koppeling aangebracht, gemaakt van rubber of schapenleer.
* Om de windmachine wordt een dubbelwandige geluiddempende
kast aangebracht.
De
windmachine wordt bij voorkeur in of vlak bij het orgel geplaatst; in
ieder geval zo, dat de aangezogen lucht dezelfde temperatuur heeft dan
die in de kerkruimte, om ontstemming van het pijpwerk te voorkomen.
Voordat
de windmachine kon worden toegepast bevatte ieder orgel een grote
magazijnbalg die door het pompen of trappen van schepbalgen werd gevuld.
Zo ontstond er een reservoir van orgelwind, waarmee de organist enige
tijd toekon.
Op veel orgels vindt men een Tremulant.
Dit
is een klein balgapparaat, dat dient om regelmatige golving in de
windtoevoer tot het pijpwerk te veroorzaken.
8:
Windladen
Op
de windladen staan de pijpen.
In de windladen wordt de orgelwind verdeeld en wel zo dat iedere pijp
(bij samengestelde vulstemmen iedere pijpengroep) apart kan worden
aangeblazen, of, naar het believen van de organist, in combinatie met
een willekeurig aantal andere pijpen.
In
grote trekken worden pijpen zó opgesteld dat de pijpenrij voor ieder
register, (dus voor iedere toets een pijp met dezelfde klankkleur) de
lengte van de windlade beslaat.
Deze rij noemen wij de registerrij.
De
pijpenrij, behorende bij iedere toets (dus voor ieder register een pijp
van dezelfde naam) beslaat de breedte van de windlade.
Deze rij noemen wij de toetsrij.
Om
ons verder niet te verliezen in theoretische beschouwingen en vooral om
de tekeningetjes niet te ingewikkeld te maken, zullen we in dit
hoofdstuk uitgaan van een orgeltje met twaalf toetsen en drie registers.

De
toetsen zijn:
c, cis, dis, d, dis, e, f, fis, g, gis, a, ais en b.
De
namen zijn op de foto aangegeven.
Stukje
van het klavier van de Dorpskerk te Vierpolders.

De
registers zijn:
Holpijp 8 – Prestant
4’
en Mixtuur 2-sterk.
De
registers zijn op de foto aangegeven.
Stukje van de registerplaats van het orgel in de Dorpskerk van
Vierpolders.
De
Dorpskerk heeft geen Mixtuur, wel de Holpijp en de Prestant.
De
registerrijen bevatten dus resp. 12, 12 en 24 pijpen, de toetsenrijen
steeds 4 pijpen (1 Holpijp-, 1 Prestant- en 2 Mixtuurpijpen).
Bekijken
wij de windlade met pijpen van boven, dan zien wij het volgende beeld:

Dit
is de z.g. chromatische opstelling.
Door de wijdste pijpen “zigzag” (in de orgelbouw noemt men dit “in
verband”) te plaatsen kan de windlade belangrijk korter worden, al
neemt hierdoor de breedte wat toe.
De opstelling van de pijpen op de windlade kan op allerlei manieren
plaatsvinden.
De
pijpen staan in pijproosters en op pijpstokken.

Deze
“roosters” en “stokken” lopen in de lengterichting van de lade
en bevatten dus registerrijen of gedeelten daarvan.
De roosters worden op hun plaats en op de juiste afstand van de stokken
gehouden door stempels.
De mixtuurstok heeft verboringen om het mogelijk te maken de twee pijpen
per toets door één aanvoergat te blazen.
De
constructie van dit raamwerk is niet altijd gelijk.
Men kan hier spreken van een historische ontwikkeling, waarom het nodig
is onderscheid te maken tussen drie ladentypen:
a:
de tooncancel-lade;
b: de registercancel-lade;
c: de unit-lade.
Bovenstaande
laden worden afzonderlijk besproken.

Een
kijkje binnenin het orgel van de Dorpskerk in Vierpolders.
Links:
de Prestant
8’
Midden:
de Fluyt
4’
Rechts:
de Holpijp
8’
De
tooncancel-lade
Bij
dit ladetype is het raamwerk door tussenschotten, scheien genoemd,
verdeelt in een aantal vakken, gelijk aan het aantal toetsen. In ons
voorbeeld geval dus 12.
Hiermee is dus een indeling van de lade gemaakt t.b.v. de toetsenrijen.
Aan beide zijden van dit cancellenraam wordt een afdekplaat gelijmd
waarmee de tooncancellen compleet zijn.
In de bovenste afdekplaat zijn de gaten geboord op de plaats waarboven
straks de aanvoergaten van de stokken komen, in ons voorbeeld geval dus
12 x 3 gaten.
In
de onderste afdekplaat zijn rechthoekige gaten gezaagd waartegen later
de kleppen of ventielen verend worden aangebracht.
In plaats van met afdekplaten werden vroeger de cancellen afgesloten
door tussen de scheien zowel onder als boven dunne latjes te lijmen.
Zulke latjes heten sponsels.
Men onderscheidt dus ondersponsels en bovensponsels.
Onder
de onderste afdekplaat wordt de kleppenkast bevestigd, die aan de
voorzijde wordt afgesloten door een wegneembare voorslag.
In deze kleppenkast wordt de wind ingevoerd.
De kleppen worden aan de bovenkant bekleed met vilt en leer en aan de
onderkant verbonden met een metalen draad, de schalm, die weer bevestigd
is aan de pulpeet.
Een pulpeet is een luchtzakje van soepel leer dat op het onderblad van
de ventielkast wordt gelijmd.
Dit onderblad wordt daarom ook wel pulpetenplank genoemd; in deze plank
worden evenveel gaten geboord als er ventielen zijn.
De pulpeten sluiten deze gaten af en maken het mogelijk de kleppen van
buiten de windlade aan te trekken zonder verlies van wind.
Zo kunnen dus de toetsrijen afzonderlijk worden bediend.
Om
nu ook iedere registerrij afzonderlijk te kunnen gebruiken, worden er op
de bovenste afdekplaat dunne latten, z.g. dammen, gelijmd en wel zo dat
er smalle sleuven ontstaan waarin zich de gaten van de registerrijen
bevinden.
Op deze dammen worden later de pijpstokken geschroefd.
In de sleuven liggen de slepen.
Dit zijn lange stroken gemaakt van kunststof, plexiglas, celeron, e.d.,
waarin gaten zijn geboord precies op de afstanden van de gaten in de
sleuf; dat zijn dus de zelfde afstanden waarop de aanvoergaten in de
pijpstokken zijn geboord.
De slepen zijn schuifbaar.
Wanneer de drie gaten, dus in afdekplaat, sleep en pijpstok boven elkaar
liggen is er een open verbinding tussen tooncancel en pijpvoet; wordt er
nu een ventiel geopend dan kan de wind uit de kleppenkast door de cancel
en deze open verbinding de pijp aanblazen.
Wordt de sleep verschoven dan is de verbinding verbroken en kan er geen
enkele pijp van deze registerrij meer “spreken”.
Voorlopers
van de sleeplade zijn de blokwerkladen en de springladen.
Onderstaand
een eerder beschreven kijkje in de cancellade.

Onder:
Laden met dammen, slepen en pijpstok

De
registercancellade.
Ook
bij dit ladetype wordt het hiervoor genoemde raamwerk in vakken
verdeeld, maar dan door tussenschotten, die in de lengterichting lopen
en dammen worden genoemd.
We merken op dat het woord DAM twee betekenissen kan hebben.

Dit
is dus de indeling t.b.v. de registerrijen.
Deze cancellen heten dan ook registercancellen.
In ons orgeltje van 12 toetsen en 3 stemmen zal de windlade daarom drie
van zulke cancellen bevatten.
Nu
zal ook in deze windlade een inrichting moeten zijn om de registerrijen
te kunnen bedienen en één ter bediening van de toetsrijen.
Om de registerrijen te kunnen bedienen wordt er, evenals bij de
tooncancellade voor de bediening van de toetsrijen, een soort
kleppenkast gebouwd, maar nu aan de kop of in het midden van de lade.
Deze kast wordt gemonteerd onder of boven het cancellenraam en wordt
aangesloten op het windkanaal.
Wordt door het openen van een register een registerklep opgetild, dan
komt de betreffende registercancel “onder wind” te staan.
Voor
de bediening van de toetsenrijen kunnen wij twee systemen onderscheiden waarnaar
de gehele lade wordt genoemd, n.l. de membraanlade
en de kegellade.
Bij de
membraanlade (zie foto) worden er in de aanvoergaten naar de pijpen (in
de pijpstok) buizen gelijmd (vaak van turboniet).
Deze buizen verlengen dus de aanvoergaten en zijn bijna zo lang als de
dammen hoog zijn.
Onder het cancellenraam worden onderstokken geschroefd.
Dit zijn planken waarin evenveel gaten zijn geboord als er toetsen zijn.
In ons voorbeeldorgeltje bus 12.
Over deze gaten zijn veermembranen gelijmd waarvan de platte bovenzijde
de toegang tot de turbonietbuizen afsluit.
Voor elk registercancel is er een onderstok, zodat wij, wanneer deze
stokken zijn aangebracht, drie rijen van twaalf gaten aan de onderzijde
van de lade zien.
Nu
worden er in de breedterichting van de lade latten met ingefraisde
groeven onder de onderstokken geschroefd, hier in het orgeltje dus 12,
die de gaten afsluiten en in verbinding staan met een relais, wat wij
ook een windkamer zouden kunnen noemen.
Zodra de balg wind levert staat dit relais onder druk en daarmee ook
elke veermembraan, zodat deze wind samen met de ingebouwde veer het
membraan tegen de turbonietbuis drukt.
Wordt nu een toets aangeslagen dan wordt de winddruk in het membraan
weggenomen en houdt alleen de ingebouwde veer het membraan omhoog.
Wordt er nu door het inschakelen van een register een cancel onder wind
gebracht, dan overwint deze winddruk de kracht van de veer, het membraan
wordt omlaag geduwd en de wind kan via de turbonietbuis de pijp
aanblazen.
Wordt de toets losgelaten, dan zijn de winddruk in het membraan samen
met de ingebouwde veer weer sterker dan de winddruk in de cancel en
wordt het membraan weer omhoog geduwd en de toegang tot de pijp
afgesloten.
Om een snelle afsluiting te bevorderen sluit men soms het relais aan op
een balg, die hogere druk levert dan de balg waarop de registerkast is
aangesloten.

Bij
de kegellade
(zie foto) zijn er in de dammen evenveel gaten geboord als er toetsen
zijn.
In de pijpstokken zijn de aanvoergaten niet in het midden, maar aan de
rand van de stok geboord.
Wordt de stok op het cancellenraam geschroefd, dan passen de
aanvoergaten op de gaten in de dammen.
Onder het cancellenraam worden onderstokken geschroefd waarin aan de
bovenkant, eveneens aan de rand, gaten zijn geboord die passen op de
gaten in de dammen en die door middel van verboringen in verbinding
staan met de gaten die in het midden van de onderstok zijn geboord.
In deze laatste gaten bevinden zich de z.g. kegels.
Wordt door het aanslaan van een toets de kegel gelicht, dan kan de wind
via de onderstok, dam en bovenstok de pijp aanblazen.
Wordt de toets losgelaten dan valt de kegel en is de toevoer van wind
naar de pijpvoet afgesloten.

Links:
Dwarsdoorsnede
van de registermechaniek.
De
Unitlade
Bij
de unitlade stroomt de wind in één grote kast onder de pijpen.
Onder elk aanvoergat naar een pijp bevindt zich een elektromagneet, die
verbonden is met een kegel, een membraan of afsluitschijf.
Deze magneet is verbonden met een schakelbord, dat weer in verbinding
staat met de registers en de toetsen.
Wordt een magneet bekrachtigd, dan kan de orgelwind langs membraan,
kegel of afsluitschijf stromen en wordt de pijp aangeblazen.
De bedoeling van dit systeem is om met een betrekkelijk gering aantal
pijpen een groot aantal registers te kunnen bouwen.
Wanneer
men b.v. voor een klavier van 56 toetsen (C t/m g3) een rij van 80
pijpen van dezelfde klankkleur bouwt, waarvan de grootste
8 voet
lang is, dan kan men daaruit een
8
voet
, een
4 voet
en een 2 voetsregister trekken.
In
het eerste geval past men zulk een schakeling toe dat bij het
inschakelen van de
8 voet
de pijpen 1 t/m 56 spreken, in het tweede geval schakelt men zo dat bij
het inschakelen van de
4 voet
de pijpen 13 t/m 68 spreken; in het derde geval, wanneer de
2 voet
wordt ingeschakeld, spreken de pijpen 25 t/m 80.
Wanneer de drie registers zijn ingeschakeld en men slaat de toets
“C” aan, dan spreken de pijpen 1, 13 en 25.
Slaat men de toets “c” aan, dan spreken de pijpen 13, 25 en 37.
Slaat men beide toetsen tegelijk aan, dan spreken de pijpen 1, 13, 25 en
37.
Let wel, de klankkleur is gelijk omdat het één register betreft.
Waren
er drie afzonderlijke registers gebouwd, dan zouden er zes pijpen
gesproken hebben, nu maar vier.
Het zal duidelijk zijn dat dit systeem grote bezwaren met zich
meebrengt.
Op zijn best is het nog toe te passen bij het pedaal, omdat meerstemmig
pedaalspel weinig voorkomt.
Bij drie afzonderlijke registers, krijgen we ook drie afzonderlijke
klankkleuren i.p.v. één.
Dergelijke
orgels worden ook UNIT-ORGELS genoemd.
Een voorbeeld is de Petrakerk in Hellevoetsluis.
9: Tractuur
Onder
tractuur wordt verstaan de inrichting die dient om vanaf de speeltafel
of klaviatuur de functies van de windladen te commanderen.
Dit kan op verscheidene manieren gebeuren.
1 Langs mechanische
weg
2 Langs pneumatische
weg
3 Langs elektrische
weg
Ø
Langs
mechanische weg.
De
verbinding tussen toets en ventiel en die tussen register en sleep wordt
gevormd door een stelsel van abstracten,
walsen of wellen en winkelhaken.
Rechtsboven is de werking van een wals geschetst.
Hierbij dient men aan te nemen dat het trekabstract A is verbonden met
de toets.
Het is grappig te zien hoe men al naar gelang de richting waarin men de
tweede welarm aanbrengt (B t/m E) letterlijk alle kanten uitkan.
Het
orgel van de Dorpskerk in Vierpolders is ook een orgel met een rein
mechanische tractuur.
Ø
Langs
pneumatische weg.
Dit
systeem wordt toegepast bij orgels met kegelladen of membraanladen.
De
nodige verbindingen tussen speeltafel of klaviatuur en windladen worden
hier bewerkstelligd door een stelsel van dunne loden buizen, waarin door
het neerdrukken van een toets of het openen
van een register orgelwind wordt gestuwd die een membraan opblaast.
Ook hier mag een tekeningetje een en ander verduidelijken.
Links:
Doorsnede
van een kegellade.
Links:
Doorsnede
van een membraanlade
Ø
Langs
elektrische weg.
Bij
dit systeem vervallen de loden buizen van het pneumatische systeem.
Hiervoor in de plaats komen elektrische draden, contacten en magneten.
Bij een elektrisch aangestuurd orgel is het nodig een gelijkrichter in
het orgel te plaatsen.
Deze is gekoppeld aan een transformator.
De transformator zorgt er voor dat de netspanning wordt teruggebracht
tot ca. 15 volt, terwijl de gelijkrichter de wisselstroom omzet in
gelijkstroom.
Deze
tractuursystemen komen zeer vaak gecombineerd voor;
b.v.
mechanisch-pneumatisch (zoals bij het Barkerhefboom systeem),
elektro-mechanisch,
elektro-pneumatisch,
enz
10. De Speeltafel.
De
speeltafel is de centrale plaats van waaruit het orgel, speciaal de
windladen, wordt bediend.
Hij omvat één tot vijf handklavieren of manualen, en één voetklavier
of pedaal.
Het pedaal kan vrij zijn, d.w.z. voorzien van eigen stemmen, of aan het
hoofdmanuaal aangehangen (dus zonder eigen stemmen).
De
manualen hebben gewoonlijk een omvang van C t/m g3, het pedaal van C t/m
f¹.
Boven of terzijde van de manualen zijn de registers aangebracht in de
vorm van knoppen, wippers of labels.
Doormiddel van koppels kunnen de manualen onderling, en het pedaal aan
ieder van de manualen afzonderlijk (bij een orgel met vrij pedaal),
verbonden worden.
Bij
pneumatische- of elektrische tractuur is het bovendien mogelijk door
middel van sub- of superoctaafkoppels de stemmen resp. een octaaf lager
of hoger op hetzelfde of op een ander klavier tot spreken te brengen.
Wanneer het pijpwerk van een klavier in een zwelkast is gebouwd kan deze
door een zweltrede boven het pedaal worden bediend.
Bij
pneumatische orgels zijn meestal allerlei speelhulpen aangebracht, te
bedienen met drukknoppen onder de manualen.
Enkele van deze speelhulpen zijn.
1.Vaste
combinaties, dat zijn combinaties van verschillende voorgeprogrammeerde
registers in de sterktegraden:
PP – P – MF – F – FF – T (T is de afkorting
van Tutti en wil zeggen: volle werk.)
2.
Vrije combinaties, dat zijn combinaties die kunnen worden ingesteld door
boven de registerwippers aangebrachte knopjes of labeltjes, en die door
het indrukken van de knop V.C. in
werking treden, waarbij meestal de handregistratie wordt uitgeschakeld.
3.Automatisch
pianopedaal, waardoor het pedaal zich, bij overgang op een nevenmanuaal,
automatisch in sterkte bij dat manuaal aanpast.
Het wordt bediend door de knop A.P. en is soms vrij-instelbaar.
4.
Uit- en inschakelaars, b.v. van handregisters, tongwerken, mixturen,
e.d.
5.Boven
het pedaal treft men soms de volgende speelhulpen aan:
Combinatietreden, die sterke stemmen van een bepaald klavier uit- of
inschakelen.
6.Generaal-Crescendo,
in de vorm van een trede of rol, dat de verschillende registers in de
volgorde van hun geluidssterkte in- of uitschakeld.
7.Voetpistons,
bij elektrische orgels, voor het bedienen van combinaties en koppels.
(Ook voor koppels bij mechanische orgels (Catharijnekerk - Brielle)
Onderstaand, ter illustratie, een jeugdfoto(1966) van de samensteller
Bas Rijkeboer.

Het
is het orgel van de Salvatorkerk te Rotterdam-Hillegersberg.
Tractuur is elektrisch.
Bouwer: Orgelbouwer Pels uit ’s Hertogenbosch.
Aantal
stemmen: 45
Vrije combinatie
Vaste combinatie
Automatisch pianopedaal
Voetpistons voor Tongwerken - Mixturen
General-Crescendo
Zweltrede
11: Opstelling
De
bovengenoemde delen van het orgel worden meestal in een orgelkas(t)
geplaatst, waarvan de voorzijde, het front, wordt gevormd door de
frontpijpen.
Deze pijpen zijn vaak pijpen van de Prestant
8’
of bij kleine orgels de Prestant
4’
.
Hierachter worden de windladen met de pijpen opgesteld in groepen, die
meestal overeenkomen met de verschillende klavieren en “werken”.
Is het front zo ontworpen dat men daaruit het aantal werken, waaruit het
orgel bestaat a.h.w. kan aflezen, dan zeggen wij dat het front is
gebouwd volgens het “werkprincipe”.
De namen van de verschillende werken zijn: hoofdwerk, bovenwerk (wanneer
dit in de zwelkast staat: zwelwerk), pedaal
Soms staat er voor het hoofdorgel nog een werk, dat rugwerk of
rugpositief heet.
Van een eventueel vierde klavier (of vijfde), het borstwerk, is het
pijpwerk opgesteld op een lade onder het hoofdwerk, boven de klavieren.
Onderstaand
een foto van de Bavokerk in Haarlem

Einde
van deze serie HET ORGEL IN VOGELVLUCHT
|