Het Orgel
Start Wie zijn wij Adressen Kerkdiensten Liturgie Vorige Diensten Bijzondere diensten Agenda Meditatie Samen zingen Dorpsberichten Kerkelijke berichten Overige_berichten Gedichten Kinderpagina Kerkverhuur Het Orgel Historie Dorpskerk Linken Kerkblad Muziekpagina Liedbespreking Achtergrond_info Dorpskerk-edities

 

 

Op deze pagina zijn in een tabel bladwijzers ingebouwd.
Deze zijn onderstreept

Dit is een zware pagina 
Het kan even tijd kosten voordat alles geladen is

HET ORGEL IN "VOGELVLUCHT"


Bij de foto's: Links het huidige Van Vulpenorgel

rechts het vroegere "Standaardorgel" van de Dorpskerk van Vierpolders

 

PKN - Sijbekarspel

PKN - Hoogwoud

PKN - Spanbroek

Bas Rijkeboer was tot eind december 2006 vaste organist van de Dorpskerk in Vierpolders (Van Vulpenorgel - kopie van 18e eeuw kabinetorgel);  gastorganist van de Parochiekerk te  Brielle (Maarschalkerweerdorgel - 1877); de Vestingkerk te Hellevoetsluis (Van Vulpen hoofdorgel en Flentroporgelpositief); de Petrakerk (onbekend pneumatisch orgel) te Hellevoetsluis en de Oude Kerk (Bätz-orgel - 1821) aan de Dorpsstraat te Nieuwenhoorn.

Bas Rijkeboer is eind maart 2007 in de streek West-Friesland  van de provincie Noord-Holland gaan wonen en is nu vaste organist van de PKN te Sijbekarspel met een historisch Van Damorgel uit 1883 (zie foto linksboven), de PKN te Wognum (zie foto rechtsboven) met een Mitterreither-orgel uit 1787, in een orgelkas van bouwer Leichel uit 1892 en de PKN te Benningbroek (met een tribuneorgel van de orgelbouwer Van Dam uit 1907); vaste organist van de HOSOH en AABELgemeente (PKN) met kerken in  Hoogwoud (zie foto linksonder,  met een iets groter Van Damorgel als in de PKN te Sijbekarspel maar dan uit 1878), Abbekerk (Knipscheerorgel uit 1865), Hensbroek (Spanjaardorgel-geen bouwdatum) en Spanbroek (Strumpflerorgel uit 1779) en gastorganist van de Kooger Kerk (zie foto rechtsonder) in Zuid-Scharwoude met één van de grootste Van Damorgels uit 1881 (23 stemmen).


Links Wognum - Rechts Kooger Kerk

PKN - Wognum

Kooger Kerk Zuid-Scharwoude

 

 

Onderstaand zijn de bladwijzers
Klik op een onderwerp om er naar toe te gaan

De Naam De oorsprong Ontwikkeling Orgelpositief
Regaal Laden Pedaal en manuaal Bloeitijd van het orgel
Orgelbouw in diverse landen Orgelbouw in Nederland Orgelbouw in Nederland: Verval Orgelpijpen
Geluid Eigenschappen van een toon Het pijpwerk van een orgel Registers
Dispositie Overzicht van registers Stemming van het orgel Windvoorziening
Windladen De tooncancellade Dispositie Overzicht belangrijke registers
Stemming Windvoorziening Windladen Tooncancel-lade
Registercancellade De Unitlade Tractuur De speeltafel en de opstelling


De Naam:

De naam ORGEL is afkomstig van het Griekse woord “organon”, dat werktuig betekent.
De Latijnse vorm hiervan is “organum”.
Dit woord had overigens een zeer ruime betekenis, zoals b.v. “organum vocis”, dat stemorgaan betekent.
Het meervoud “organa” werd ook gebruikt om het orgel aan te duiden, omdat het orgel feitelijk een groepering van blaasinstrumenten is.

De oorsprong:
Voor de oorsprong van het orgel wordt meestal teruggegaan tot de Pansfluit of Syrinx, een soort fluit, afkomstig uit Griekenland.
Recente onderzoekingen hebben aangetoond dat echter bij de Pansfluit de blaasbalg niet aanwezig was, zodat een karakteristiek element van het orgel hier eigenlijk ontbreekt.

In de Talmud (naast het Oude Testament het belangrijkste joodse leerboek) wordt de Magrepha vermeld, een draagbaar muziekinstrument, voorzien van een blaasbalg.
Dit instrument staat dus dichter bij de ontwikkelingsgeschiedenis van het orgel.
Waarschijnlijk werd het zelfs in de synagoge gebruikt.

Een andere vroege vorm van het orgel is het zgn. Waterorgel (organum hydraulicum).
Als uitvinder noemt men gewoonlijk een zekere Ktesibios van Alexandrië.
De technische inrichting van dit orgel doet echter veronderstellen, dat het meer als een hoogtepunt van een lange ontwikkelingsperiode is te beschouwen dan dat iemand het in deze vorm uitvond.
Enkele waterorgels zijn later ontdekt o.a. in Hongarije en te Pompeji (in Museum te Napels).
Ook zijn er goede afbeeldingen ter beschikking gekomen.

De hoogte van een waterorgel was ongeveer drie meter, de breedte 140- 150 cm .
De lucht werd onder waterdruk naar de pijpen gevoerd.
Het toetsenbord had een omvang van ongeveer twee octaven (bij een hedendaags orgel is dit vijf octaven).
De metalen pijpen waren gegroepeerd op de wijze van een mixtuur (op het kerkorgel een repeterende vulstem (meerkorig).
Het was echter mogelijk om de pijpen van een toets tegelijk of ook apart te laten klinken.
Meestal waren er drie rijen pijpen.
Deze instrumenten werden voor wereldlijke doeleinden gebruikt (theatermuziek).

Ontwikkeling van het kerkorgel tot de bloeitijd

Terwijl het waterorgel technisch al op een hoog plan stond, compleet met registers en windkamers, trad in de 3e of 4e eeuw na Chr. voor het eerst het WINDORGEL (organum pneumaticum) op.
Waarbij dus de wind niet door middel van water onder druk gebracht werd, maar door een soort schepbalg.
Dit was een nog zeer primitieve vorm van het orgel.
Het bezat geen registers en aanvankelijk ook geen toetsenbord.
Juist uit deze primitieve vorm nu heeft zicht het West-Europese kerkorgel ontwikkeld en dus niet uit het technisch meer ontwikkelde waterorgel.

Later krijgt men ook bij dit type orgel bv. een klavier van 15 toetsen, waarmee men één of meer reeksen pijpen kan laten klinken.
Voorbeelden van dergelijke instrumenten vindt men in de 8e eeuw.
In 757 krijgt Pepijn de Korte zulk een instrument uit Byzantium.
De Venetiaan Georgius bouwde er een voor het hof van Lodewijk de Vrome te Aken.
Verder kent men nog het orgel te Winchester uit de 10e eeuw, dat 400 pijpen bevatte.
Om het te kunnen bespelen waren twee organisten en 70 calcanten (orgeltrappers) nodig!

Van de 9e tot de 12e eeuw ontwikkelt het orgel zich vooral in de kloosterkerken, hoewel het als wereldlijk instrument in die tijd ook nog een belangrijke plaats inneemt.
Men kan op de duur drie typen onderscheiden: het PORTATIEF, het POSITIEF en het REGAAL, terwijl uit combinaties van deze het grote orgel ontstaat.  

Het portatief was een draagbaar orgeltje dat met de rechterhand bespeeld werd, terwijl de linkerhand de luchttoevoer d.m.v. een blaasbalg regelde.
Het werd vaak in de wereldlijke muziek gebruikt.
De toonomvang was één tot twee octaven  

Het positief was een gemakkelijk verplaatsbaar orgel en evenals het portatief vaak gebruikt in processies.
Het had één manuaal en veel later een aangehangen pedaal (dit is een pedaal zonder eigen registers en gekoppeld aan het manuaal).
Ook dit instrument diende wel voor wereldlijk gebruik.
De dispositie (overzicht van de registers) had als grondslag een gedekte 8 voet met een 4-voet Prestant (de voornaamste stem), een 2-voets en een Cymbel.
Soms werden hieraan een 1 1/3 voet, een 1-voet of een Regaal 8-voet (tongwerk met een ijle, snaterende klank) toegevoegd.
Het positief handhaafde zich tot in de 18e eeuw, waarna het door het clavecimbel verdrongen werd.

Tegenwoordig wordt het positief alom weer als een waardevol instrument gezien.
Er zijn ook heel wat Kerken en ook particulieren die een positief laten bouwen.
Bovenstaande is ook van toepassing op het kistorgel (zie Catharijnekerk te Brielle).

Links op de foto:
Orgelpositief gebouwd door orgelmaker Flentrop in de 20e eeuw (als tweede orgel) in de Vestingkerk te Hellevoetsluis. 
Het orgel heeft twee manualen en aangehangen pedaal. 
De manualen worden gekoppeld met een schuifkoppeling onder het ondermanuaal.
Het orgelpositief heeft zes registers, waarvan het ondermanuaal gescheiden is in dis- en baskant. De registers zijn aan de zijkant geplaatst.

Het regaal is waarschijnlijk in Frankrijk ontstaan.
Het was een tafelorgel, dat zijn naam ontleent aan het feit dat het pijpwerk uitsluitend uit kortbekerige tongwerken bestond.
Het komt voor in de 15e en 16e eeuw en was bestemd voor huiselijk gebruik.
Portatief en positief dienen in de kerk om het koor te begeleiden, hetzij om de zangstemmen te versterken of ook wel om ontbrekende zangstemmen te vervangen.
De muziek, die er op gespeeld werd, droeg daarom een vocaal karakter.  

Het eigenlijke grote orgel diende als solistisch instrument: het verzorgde inleidingen en naspelen en ook het zgn. “alternatim spel”.
Dat wil zeggen: het orgel speelde sommige verzen ter afwisseling van de koorzang, waarbij de Cantus firmus (de melodie) door de begeleidende stemmen sierlijk werd omspeeld.  

De vroegste kerkorgels hadden geen registers; steeds klonken alle pijpen van de aangeslagen toetsen.
Het pijpwerk stond opgesteld op tooncancelladen zonder slepen, zgn. blokwerkladen.
Deze treft men aan tot in de 16e eeuw.  

De verdere ontwikkeling brengt de sleeplade en de springlade.
Deze laatste is mogelijk uitgevonden, doch in ieder geval vervolmaakt, door de Brabantse orgelbouwer Hendrik Niehoff en wordt tot diep in de 17e eeuw toegepast (bv. In de Nieuwe Kerk te Amsterdam – gebouwd van 1650-1655).

Tenslotte heeft toch de sleeplade de springlade verdrongen.

Verklaring van bovenstaande, vetgedrukte, termen:

DIVERSE LADEN
Tooncancelladen:

windlade, welke verdeeld is in evenveel vakjes (cancellen) als er toetsen zijn, zoals bij de bloklade, de springlade en de sleeplade.

Slepen
schuif met gaten, die passen op de pijpengaten, verschuifbaar   aangebracht in de sleepladen.

Blokwerkladen:
tooncancellade zonder slepen. Door het neerdrukken van een toets     krijgt de wind toegang tot de tooncancel, waardoor alle op deze cancel staande pijpen gaan spreken.

Sleeplade:             
windlade, waarin slepen met overeenkomstig aan de pijpenstokken ingeboorde gaten. Trekt men een register uit, dan verschuift de sleep, waardoor de wind, bij geopend speelventiel, door de gaten in de pijpen kan stromen.

Springlade:
(uitgevonden omstreeks de 12e eeuw), maakt scheiding tussen de pijpenrijen op een lade. Heeft, in plaats van slepen, in de tooncancellen ventielen met veren onder de toongaten. Bij het trekken van een register drukt een regel deze ventielen (van een zelfde register) neer, door middel van drukpennen. Ze is omstreeks de 17e eeuw verdrongen door de sleeplade.


Onderstaand enige tekeningen van de tooncancellade

Tooncancellade met scheien, (waarvan er één ontbreekt), afdekplaten en kleppenkast in aanbouw.

Dwarsdoorsnede van de
tooncancellade

De laden met dammen, slepen en pijpstok

Pedaal en manuaal:
Pedaal:
Aan het eind van de 14e eeuw wordt het pedaal voor het eerst toegepast, aanvankelijk aangehangen (zonder eigen registers, zoals in de Dorpskerk van Vierpolders), later ook zelfstandig (met eigen registers).
Het aantal pedaaltoetsen (stokken) bedroeg in de eerste tijd niet meer dan acht tot tien.

In de loop van de tijd wordt het orgel steeds meer uitgebouwd.

Behalve een hoofdwerk (grootste deel van het orgel) bouwt men een rugpositief (een klein orgeltje achter de organist), soms een regaal als borstwerk (plaatsing recht voor de organist, onder het hoofdwerk).
Komt men tot drie manualen dan bouwt men Hoofdwerk (HW), Rugwerk (RW) en Borstwerk (BW) óf Hoofdwerk, Rugwerk en Bovenwerk (BOW) [het gedeelte boven het hoofdwerk].

Bij vier manualen zijn alle genoemde werken aanwezig.

Het is te begrijpen dat in het kader van deze uitbouw ook de ontwikkeling van diverse koppelingen plaatsvindt (manuaalkoppelingen en pedaalkoppelingen; dit is om alle naar voorkeur diverse werken aan elkaar te koppelen).

Manuaal:
Regelmatig wordt het aantal toetsen van manualen (klavieren) en pedaal uitgebreid.

Hier dient gewezen te worden op de eigenaardigheden van het laagste octaaf (linker gedeelte van het manuaal of pedaal).

Dit werd namelijk lang niet altijd volledig gebouwd.

Aanvankelijk bevatte dit octaaf vier “witte” toetsen voor de tonen F, G, A en B en één “zwarte” toets voor de toon Bes.  
Later breidde men het octaaf uit met de tonen C, D en E, die echter gespeeld worden met de toetsen E, Fis en Gis.
Dit heet “Kort Octaaf”.
Nog later wilde men toch wel graag de tonen Fis en Gis kunnen gebruiken.
Aangezien de toetsen hiervoor al bezet waren door D en E deelde men deze middendoor, verhoogde de achterste helft en verbond deze helft met de  mechaniek van de betreffende tonen Fis en Gis.

De voorste helft bleef resp. de tonen D en E.
Zulk een octaaf heet “Gebroken Octaaf”.
 

Voorbeelden van de besproken toetsen van het manuaal:

 

De bloeitijd van het orgel


Deze bloeitijd loopt van ongeveer het einde van de 16e eeuw tot rond het midden van de 18e eeuw.
Juist in de Barokperiode lag de ontwikkelingsmogelijkheid:
de polyfonie (meerstemmigheid) van deze tijd was lineair van opzet met een toch enigszins harmonische opbouw in een heterogene (ongelijksoortige) klankkleur.

Als grondslag voor de dispositie (totaal overzicht van alle registers op een orgel) dient een grondpatroon, n.l. de octaafs- en quintsgewijze opbouw van Prestanten (hoofdstemmen) en fluitstemmen. 
Hieraan worden samengestelde vulstemmen (gemengde stem uit verschillende natuurtonen) zoals Mixturen e.d. toegevoegd.

De registersamenstelling kan al naar gelang van de landsaard verschillend zijn.
Tot 1500 was de registerrijkdom nog vrij beperkt.

Bij de grote ontwikkeling sindsdien van de instrumentale muziek in het algemeen, waarin de instrumenten in velerlei soorten en in families (vergelijk b.v. sopraan-, alt-, tenor en basblokfluiten) worden gebouwd, sluit ook de ontwikkeling van de orgelregisters zich aan.

De orgelbouwers wedijverden met elkaar in het construeren van telkens nieuwe pijpmodellen en het tot stand brengen van telkens nieuwe klankkleuren.
Zo ontstaat het register met wijde, normale en enge, gedekte, halfgedekte en open, conische, cilindrische en trechtervormige pijpen.

Voorbeelden van diverse soorten pijpen:

De samengestelde vulstemmen worden zeer veelkorig (het spreken van meerdere pijpen gelijktijdig op een toets – b.v. de mixtuur 3 sterk) en repeterend gebouwd (van uitermate groot belang voor de kennis over de orgelbouw tot aan het begin van de 17e eeuw, is het werk van Michaël Praetorius – 1571-1621): Syntagma musicum”. 
In dit werk, dat bestaat uit drie delen, vat hij de gehele muzikale kennis van die tijd samen.
In het tweede deel, Organographia geheten, wordt o.m. het orgel nauwkeurig beschreven).

De functionele opbouw van het orgel berust op de prestantbasis; en wel 16 voet (de langste pijp is 16 voet lang) voor het hoofdwerk, 8 voet voor het rugwerk en/of bovenwerk, 4 voet voor het borstwerk, en 16 voet of 32 voet voor het pedaal.
Bij orgels van geringere omvang vaak 8 voet voor het hoofdwerk, 4 voet voor het rugwerk en 16 voet voor het pedaal.
Het borstwerk heeft soms een 2 voets basis.


Naast deze ruggengraat van het orgel vindt men in de dispositie een zorgvuldige toepassing van de fluitstemmen en tongwerken (pijpen die door middel van een tong spreken en waarbij de beker de toon versterkt en karakter geeft), zo, dat ieder “werk” een eigen, aparte eenheid van klank heeft, terwijl het totaal van de werken een afgerond geheel vormt.

De orgelbouw in de diverse landen.

Al tijdens de bloeiperiode van de orgelbouw zijn er verschillen in opbouw en registersamenstelling waar te nemen, die samenhangen met een bepaalde landsaard en met de musiceertrant in de verschillende landen.
Te denken is aan de beroemde orgelbouwer Arp Schnitger (1648-1719 – o.a. het orgel met 4 manualen en pedaal in de Jacobi-kerk te Hamburg-) uit Noord-Duitsland.
Zijn werk en dat van zijn zoon Franz Caspar (1692-1729) vormt het hoogtepunt van een ontwikkeling, waaraan meesters als Hans Scherer, Heinrich en Esaias Compenius en Gottfried Fritzsche belangrijke bijdragen leverden.
Dit hoogtepunt is door latere bouwers als König en Walcker niet meer bereikt.

In de tijd van de Schnitgers werkte er echter in Zuid-Duitsland een zeker even geniaal orgelbouwergeslacht, dat van Silbermann.
De stijl van de Zuid-Duitse orgelbouw wijkt op verscheidene punten af van de Noord-Duitse.
De registers Terts en Cornet komen veelvuldig voor.
Bovendien wordt lang niet altijd een rugpositief (rugwerk) gebouwd, terwijl het aantal tongwerken vaak geringer is.
De familie Silbermann werkt hier gedurende ruim honderd jaar.
De meest beroemde vertegenwoordiger is Gottfried Silbermann (1683-1753).
Van hem is het orgel met drie manualen en pedaal in de Hofkerk te Dresden.

In Frankrijk heeft men altijd een bijzondere voorkeur voor tongwerken gehad, evenals voor het completeren van de boventoonreeks met de terts.
Beroemde geslachten van orgelbouwers zijn de families Thierry, werkzaam van ca. 1630-1740, en Clicquot.  

Al in de tweede helft van de 17e eeuw werkt er een Clicquot voor Lodewijk XIV; een eeuw later is het François Henri Clicquot, die orgels bouwt in de Notre Dame en in de Saint Sulpice te Parijs.
Dit laatste orgel heeft vijf manualen en niet minder dan 22 tongwerken.
De namen van de verschillende werken van Franse orgels zijn: Grand Orgue (hoofdwerk) – Positif (rugwerk) – Récit (bovenwerk in de zwelkast), Pédale (pedaal).
Bovendien kent men nog Bombarde (een werk in de zwelkast met vrijwel uitsluitend tongwerken en vulstemmen, Echo en Solo, waarvan de namen voor zichzelf spreken.

In de 19e eeuw is in Frankrijk de meest toonaangevende bouwer Aristide Cavaillé Coll (1811-1899).
Op zijn naam staan verscheidene uitvindingen, vernieuwingen en verbeteringen zowel op het gebied van windvoorziening (magazijnbalg) als mechaniek (toepassing van de Barker hefboom) en het geluid (vervolmaking van de tongwerken).

In dit verband wordt gewezen op de “Pastorale” van César Franck, door de componist opgedragen aan “son ami Monsieur Aristide Cavaillé Coll”, waarvan het staccato middendeel met de snelle zestiende noten in de linkerhand moet worden uitgevoerd met o.a. de Trompet van het Récit.
Met dit werk, waarvoor een feilloze aanspraak van de pijpen noodzakelijk is wilde Franck zijn dank en bewondering uiten tegenover de orgelbouwer, die hem zulke onovertroffen tongwerken bezorgde.

In Spanje worden vele kathedralen gesierd door grote instrumenten, vrijwel alle gebouwd in de barokperiode.
Kenmerkend voor deze orgels is het kleine pedaal, dat soms uit maar enkele toetsen bestaat, het grote aantal tongwerken (in de kathedraal van Toledo zijn er 20 op een totaal van 39 stemmen), en het bouwen van sommige tongwerken “en chamade, d.w.z. de bekers steken horizontaal uit de orgelkast naar buiten.

In hedendaagse orgelbouw worden zulke “Spaanse Trompetten” vaak toegepast op grotere orgels ” (denk aan het hoofdorgel in de St. Laurenskerk te Rotterdam en het orgel in de Doelen te Rotterdam).

In Italië heeft men zich doorgaans tevreden gesteld met een éénklaviers orgel, soms met aangehangen pedaal (zie het orgel van de Dorpskerk in Vierpolders).

Engeland bouwt aanvankelijk ook zeer bescheiden instrumenten.
Later komt de orgelbouw hier tot ontwikkeling.

De namen van de verschillende werken zij hier: Great (hoofdwerk) – Choir (rugwerk) – Swell (bovenwerk in de zwelkast) – Pedal (pedaal).

De orgelbouw in Nederland

Het spreekt vanzelf dat de Nederlandse orgelbouw onze bijzondere belangstelling verdient.
En dat niet alleen omdat wij regelmatig met de producenten van onze bouwers te maken hebben.
Niet minder is deze belangstelling verdiend omdat de Nederlandse orgelbouw voor de ontwikkeling van het instrument van onschatbare betekenis is geweest.

Zoals overal is het opvallend dat de orgelbouw vaak door enkele geslachten van een zelfde familie bedreven wordt.
De orgelbouw met zijn vele ambachtelijke en ook kunstzinnige facetten is dan ook een fascinerend beroep.

Uit de orgelbouw vóór de 15e eeuw zijn ons geen namen bekend gebleven.
Uit de 15e eeuw kennen wij de namen van de fam. Van Elen en die van Meester Peters.
In het orgel dat hij bouwde voor de Nicolaikerk te Utrecht,paste hij voor het eerst boven het Hoofdwerk een Bovenwerk toe.

In de volgende eeuw vinden wij de z.g. “Brabantse School”, waarvan de fam. Niehoff de belangrijkste vertegenwoordiger is.
Nicolaas Niehoff bouwde de beide orgels in de Oude Kerk te Amsterdam, die Jan Pietersz Sweelinck gedurende ruim 40 jaren bespeelde.
Deze orgels werden in 1567/1568 en in 1588 gerestaureerd door Peter Jansz. De Swart.
De Niehoffs bouwden ook vele orgels in Duitsland (Hamburg, Lüneburg, Würzburg, Keulen), terwijl vele van hun leerlingen zich daar vestigden.
Hierdoor is de invloed van de Brabanders op de Duitse orgelbouw uitermate groot geworden.

In de 17e eeuw en 18e eeuw worden er in ons land vele monumentale orgels gebouwd.
Zeer belangrijk door hun aan deel in de ontwikkeling van de orgelbouw in Nederland zijn de families van Hagebeer en Duyschot.
Onder de Nederlandse bouwers van deze eeuwen treft men verscheidene Duitse namen aan.
Dit waren dan ook veelal bouwers van Duitse afkomst, die zich hier vestigden.
Bovendien bouwen Duitse firma’s hier soms fraaie instrumenten (Arp Schnitger met het orgel in de Der A-kerk te Groningen in 1702 (zie foto), Franz Casper Schnitger met het orgel in de Michaëlskerk te Zwolle in 1721, Christian Vatter met het orgel in de Oude Kerk van Amsterdam in 1726 en Wagner met het voormalige orgel in de Eusebiuskerk te Arnhem in 1770).

Foto boven:
Der Aa kerk te Groningen (gerestaureerd in 2011)

Ook na 1800 vinden wij in ons land degelijke orgelbouwers.
Echter doet zich dan ook hier het algemene tijdsverschijnsel gelden, dat zich manifesteert in het toepassen van een relatief groot aantal 8 voets registers ten koste van de vulstemmen.

De orgelklank heeft dan niet meer de grote helderheid van voorheen, doch geeft niet veel meer dan nuanceringen van een zelfde, vrij saaie kleur.

 

De orgelbouw in Nederland

Verval

Zoals eerder opgemerkt treedt er in de 19e eeuw een verandering op, die zich tot in het begin van de 20e eeuw doorzet.
Deze verandering hangt ongetwijfeld samen met de smaakverandering, die zich op alle gebied van de muziekbeoefening voordoet en die in de kunstgeschiedenis gekarakteriseerd wordt als Romantiek.

Het gevoel, de uitbeelding van de sentimenten, staat op het eerste plan.

De uitingen hiervan in de orgelbouw zijn het al genoemde overwicht van de 8 voets registers met weglating van de nodige vulstemmen, het invoeren van “gevoelige” stemmen als Aeoline, Voix céleste, Harmonia aetheria, e.d., het toepassen van de zwelkast (meestal een bovenwerk dat in een afgesloten kast is gebouwd en middels een trede is te openen, waardoor het geluid sterker of zwakker wordt), niet zoals bij de Franse en Spaanse orgels t.b.v. een uitgewogen kankplastiek, doch voor het realiseren van overgevoeligheden.

Het is wellicht niet in zijn geheel rechtvaardig deze dingen te karakteriseren als uitingen van verval.
Zij, die zo bouwden en lieten bouwen, hebben, naar men mag aannemen, een reëel, eigen ideaal verwezenlijkt, dat in latere jaren door volgende geslachten niet gemakkelijk meer kan worden geapprecieerd.

Dit is echter in alle tijden het geval geweest.

Een andere zaak, die bepaald met meer recht als verval kan worden bestempeld is die van de systemen en nog meer die van de materialen.

Het is te begrijpen, dat toen de magazijnbalk (hoofdreservoirbalg met een vertikaal bewegend bovenblad) het ongelimiteerde gebruik van gekoppelde klavieren en compleet “volle werk” (alle registers open) mogelijk gemaakt had, welk gebruik bevorderd werd door homofone stijl van de Romantiek, die meer waardering had voor kwantitatieve effecten dan voor kwalitatieve karakteristiek, de zware bespeelbaarheid van de grote mechanische orgels hoe langer hoe meer als een last ondervonden werd.

Wij zagen al dat deze moeilijkheid door Cavaillé Coll ondervangen werd door toepassing van de Barker hefboom (toepassing van pneumatiek), welk systeem door andere orgelbouwers op vele plaatsen eveneens is toegepast.

In plaats van zich te bezinnen op een juiste toepassing van de wetten van de mechanica waardoor ook bij de grootste orgels een lichte speelaard mogelijk is, getuige de orgels van de laatste tientallen jaren, ging men er toe over de in 1842 door Walcker geconstrueerde kegellade (windlade waarbij toevoer van de wind vanuit de cancel naar de pijp geschiedt door middel van een kegel die óf door middel van een menbraam, óf langs mechanische weg wordt gelicht) te gebruiken met pneumatische tractuur.

Weliswaar was het nu mogelijk, zonder enige verzwaring van de speelaard, vele klavieren en windladen tegelijk te bedienen en konden er allerlei speelhulpen worden gebruikt, toch werd een essentieel en naar onze begrippen, onmisbaar element, n.l. het geheel eigen toucher (de manier van “aanslaan” op de toetsen) van het mechanische orgel, onmogelijk.

Bovendien waren de pneumatische orgels vaak lui (d.w.z. het geluid komt enige onderdelen van seconden na het indrukken van de toets).
Dit euvel is opgelost door toepassing van elektrische tractuur (de wijze van verbindingen tussen de windladen, klavieren en registers).
Ook deze gaf in het begin veelvuldig storingen door contactverbranding en –vervuiling.
Door vocht en vuil in de kerk kreeg men “roest- en aanslagplekken op de contacten).
De jongste ontwikkeling van de elektrische tractuur heeft bezwaren weten te overwinnen, al blijft ook bij dit systeem het bezwaar van het niet-rechtstreekse contact bestaan. (Je voelt niet dat je speelt).

Een nog groter accent van verval is de vooral in het begin van de 20e eeuw optredende toepassing van minderwaardige materialen (zie het vorige orgel in de Dorpskerk van Vierpolders); zink i.p.v. een alliage van lood en tin voor de metalen pijpen, vurenhout voor de windladen (soms aan de buitenkant beplakt met eikenfineer of zelfs eikenbehangsel), windvoorziening en kastwerk.

In de jaren 30 van de vorige eeuw ontstond er in Duitsland een Orgelreform, die consequent afrekent met de 19e eeuwse “verworvenheden” en aansluiting zoekt bij de orgelbouw uit de bloeiperiode.

Dit streven, dat ook het uitwisselen van de producten in diverse landen, zoals dat ook in de bloeitijd gebeurde, ten gevolge heeft, heeft een onuitwisbaar stempel gezet op de orgelbouw van de laatste halve eeuw.

Verschillende soorten orgelpijpen

Foto's van het pijpwerk van het orgel
in de Dorpskerk Vierpolders

ORGELBOUW

1: Geluid:

Wanneer de lucht in voldoende mate in trilling wordt gebracht ontstaat er geluid.
De trillingen delen zich mee aan ons oor en worden via een ingewikkeld proces door de gehoorzenuwen overgebracht naar de hersenen.
Daar wordt a.h.w. aan ons bewustzijn verteld dat er een geluidsdruk is: wij horen!

Richt zich ons bewustzijn actief op deze geluidsdruk dan zijn wij in staat deze te analyseren, te beleven, eventueel ervan te genieten, kortom: wij luisteren!
Genoemde trillingen kunnen regelmatig en onregelmatig zijn.

REGELMATIGE trillingen noemen wij TOON.
ONREGELMATIGE trillingen noemen wij GERUIS.

In de muziek worden zowel tonen als geruisen gebruikt.
Tot geruisen behoort b.v. het geluid van een trom.
Het kerkorgel brengt alleen tonen voort.

2: De eigenschappen van een toon:

Twee tonen kunnen van elkaar verschillen in hoogte, sterkte, klankkleur en duur.

a. TOONHOOGTE.
Het aantal trillingen per seconde (tr/sec.), frequentie genoemd, is beslissend voor de toonhoogte.
Hoe groter dus het aantal trillingen, hoe hoger de toon.
Niet alle frequenties kunnen door ons gehoor worden waargenomen.
De grens ligt beneden bij ± 16 tr/sec., naar boven bij ± 20.000 tr/sec.
I

b. TOONSTERKTE:
De regelmatige trillingen van een toon zouden kunnen worden voorgesteld door een golvende lijn.
Wanneer wij midden door deze golflijn een rechte lijn trekken, zien wij dat de beweging begint vanuit een rustpunt op deze rechte lijn.

 

 

 

 

 

De golving bereikt een grens aan de ene kant van de lijn, verandert van richting en bereikt door het rustpunt een grens aan de andere kant van de lijn.
De afstand van de ene grens tot aan de andere noemen wij de wijdte van de trilling of amplitudo.
Deze trillingswijdte bepaalt de sterkte van de toon.
Hoe groter de trillingswijdte, hoe sterker de toon.

c: KLANKKLEUR:

Onder klankkleur, ook wel timbre genoemd, verstaan wij de typische eigen aard van geluid, voortgebracht door een bepaald instrument.
Hierdoor is het dat wij het geluid van een fluit kunnen onderscheiden van dat van b.v. een trompet.
Hoewel behorend tot het terrein van de algemene muziekleer zij hier herinnerd aan het feit dat ons westerse toonstelsel dit gehele toongebied indeelt in octaven.
Het octaaf, gevormd door de laagste c tot en met de laagste b, heet het subcontra octaaf, de octaven daarboven heten achtereenvolgens contra octaaf, groot octaaf, klein octaaf, ééngestreept-, tweegestreept-, driegestreept-, viergestreept- en vijfgestreept octaaf.
De c van deze octaven (en uiteraard de andere tonen ervan op dezelfde wijze) worden als volgt aangegeven:

C2 – C1 – C – c1 – c2 – c3 - c4 – c5

Ik geef in het vervolg uitsluitend déze wijze van aangeven aan.

Bij de totstandkoming van de klankkleur spelen de boventonen een belangrijke rol.
Onder boventonen, ook wel bovenharmonische genoemd, verstaat men die tonen, die bij de hoofdtoon klinken.
Wanneer het gehoor niet op het waarnemen van boventonen is gespitst, veronderstelt men bij het beluisteren van b.v. een c slechts één toon te horen.
Wanneer men met het bestaan van de boventonen wél op de hoogte is, zal men bij scherp luisteren één of meer boventonen zonder verder hulpmiddel kunnen onderscheiden.

Het is mogelijk het bestaan van boventonen op eenvoudige wijze aan te tonen.
Wanneer men bij een blokfluit alle gaten sluit en de fluit zacht aanblaast hoort men de toon c2.
Blaast men wat harder dan klinkt de toon c3, blaast men nog feller dan slaat de toon over in g3.
Door proeven en met behulp van meetinstrumenten heeft men een grote rij van boventonen kunnen vaststellen.
Kortom: De klankkleur van een toon wordt bepaald door het aantal, de soort en de sterkte van boventonen, die de hoofdtoon vergezellen.

d: TOONDUUR:

Dat twee tonen ook van elkaar kunnen verschillen in duur spreekt voor zichzelf.
Wij spreken van lange en korte tonen.

Het orgel is in dit opzicht wel zeer bevoorrecht daar het de mogelijkheid geeft een toon onbeperkt lang aan te houden.

Dit bracht de componist Ch. Marie Widor tot de uitspraak:
“Terwijl strijk- en blaasinstrumenten,
piano en zangstem over een spontane en onmiddellijke accentuatie beschikken,
spreekt het orgel als een filosoof.

De mogelijkheid dezelfde toon onbegrensd en onveranderd te laten voortduren,
wekt in ons een religieuze voorstelling van de eeuwigheid
en hiertoe is alleen het orgel in staat.”

 

HET PIJPWERK VAN EEN ORGEL

Tijdens de eeuwenlange ontwikkeling van het orgel is er een voortdurend streven geweest in de klankkleur van de pijpen zoveel mogelijk variatie aan te brengen.

Dit heeft tot gevolg gehad dat wij de pijpen op verschillende manieren kunnen onderscheiden.

1. Naar de wijze waarop de toon wordt voorgebracht in lip- of labiaalpijpen en tong- of linguaalpijpen.


a. TONGPIJPEN.
Bij de tongpijp gaat de wind door de stevel (van hout of metaal) en ontwijkt tussen de lepel (van messing of hardhout) en de veerkrachtige tong (van fosforbrons of messing), waardoor de tong aan het trillen wordt gebracht.
Deze deelt haar trillingen mee aan de luchtzuil, die zich in de schalbeker (kortweg: beker) bevindt.
De tong brengt dus de toon voort, terwijl de beker deze toon omvormt tot een bruikbaar timbre.
De lepel is bevestigd in de kop (van metaal of hout).
De kop sluit de stevel af.
De tong wordt met een houten wig op de lepel vastgedrukt.

De stemkruik staat een langer of korter deel van de tong toe te trillen, waardoor de toonhoogte wordt bepaald (het stemmen).

b. LIPPIJPEN.
Bij de lippijp stroomt de wind door de pijpvoet, vindt slechts door de rechte spleet tussen het onderlabium (labium = lip) en de kern, de z.g. kernspleet, een uitweg, wordt door de rand van het bovenlabium gekliefd, waardoor tussen het onder- en bovenlabium luchtwervelingen ontstaan.
Hierdoor raakt de luchtzuil binnen het corpus van de pijp in trilling en ontstaat dus de toon van de pijp.  

2. Naar het materiaal waarvan zij gemaakt zijn, in metalen en houten pijpen.
De dwarsdoorsnede van een metalen pijp is altijd een cirkel, die van een houten pijp en vierkant of een rechthoek.

Metalen pijpen worden gemaakt van orgelmetaal, d.i. een alliage van lood en tin, van roodkoper, of van (elektrolytisch) zink.
Dit laatste wordt om de lage prijs ook vaak toegepast, maar is om redenen van minder fraaie klankvorming niet aan te bevelen.
Van zinken pijpen worden de labiums, de kern en de stemrol altijd van orgelmetaal gemaakt.

Houten pijpen worden gemaakt van eiken-, mahonie- of grenenhout.

Foto:

Deel van de Prestant 4’ in het front van het orgel in de Dorpskerk
Labiaalpijpen

 

 

 

 

 

 

 

3. In open, gedekte en halfgedekte pijpen.
Deze onderscheiding geldt alleen voor lippijpen.

Metalen gedekte pijpen zijn aan de bovenzijde afgesloten met een z.g. hoed.
Deze hoed is met papier of vilt luchtdicht en toch schuifbaar (voor het stemmen) op het corpus van de pijp aangebracht.
Houten gedekte pijpen zijn aan de bovenzijde afgesloten met een houten stop, bekleed met vilt en leer, die schuifbaar is langs de binnenwanden van de pijp (eveneens om te stemmen).

Ook half gedekte pijpen worden aan de bovenzijde afgesloten met een houten hoed.
In het bovenvlak van de hoed is een gat aangebracht waarop een metalen buisje of roer is bevestigd.
Dit roer wordt soms binnen in de hoed aangebracht.

Open pijpen laten in verhouding tot hun hoofdtoon de boventonen duidelijker horen dan gedekte en halfgedekte pijpen.
Halfgedekte pijpen zijn weer boventoonrijker dan gedekte pijpen.
Gedekte en half gedekte pijpen klinken een octaaf lager dan open pijpen van dezelfde lengte.

4. Naar de wijdte van het corpus of de beker in verhouding tot hun lengte in enge, normale en wijde pijpen.

In dit verband wordt vaak gesproken van MENSUUR.
Hieronder verstaat men dan de wijdte van de pijp.
Soms wordt dit woord echter ook gebruikt voor alle pijpafmetingen; lengte, wijdte, labiumbreedte en opsnede.
Dit zijn dan de mensuren van de pijp.
 
Voor dit doel zal het woord mensuur alleen worden gebruikt voor de wijdte van pijpcorpus of schalbeker.

Pijpen van enge mensuur laten in verhouding tot hun hoofdtoon de boventonen duidelijker horen dan pijpen van normale en wijde mensuur.
“Normaalgemensueerde” pijpen zijn weer boventoonrijker dan wijdgemensureerde.
Ook door een grotere labiumbreedte te kiezen of/en een lagere opsnede kunnen de boventonen worden begunstigd, zij het binnen bepaalde grenzen.

Teneinde een goede aanspraak (sneller of langzamer tot spreken komen van de pijp) van de pijp te bevorderen worden soms aan beide zijden van het labium z.g. baarden aangebracht (zijbaarden - zie foto).
Ofschoon het klankkarakter van een orgelpijp door vorm, wijdte, labiumbreedte, opsnede en gebruikt materiaal al in belangrijke mate is bepaald, is het noodzakelijk dit karakter door afwerking van de opsnede en de stand van labiums en kern, bij tongpijpen door het aanbrengen van de juiste tongbuiging, verder te volmaken en te egaliseren.
Deze afwerking, waarvoor een zeer goed gehoor en groot vakmanschap vereist zijn, heet intonatie.

5. Naar de vorm van het corpus of de beker in cilindrische, conische en trechtervormige pijpen.
Cilindrisch wil zeggen: overal even wijd; conisch: naar boven spits toelopend; trechtervormig: naar boven wijd uitlopend.

Om een toon van een bepaald aantal trillingen per seconde te verkrijgen is een pijp van een bepaalde lengte nodig.
Voor een lippijp wil dat zeggen corpuslengte; de lengte van de voet doet namelijk niet terzake.
Voor een tongpijp wil het zeggen bekerlengte, alsook de lengte van de tong.
Tussen deze twee moet een bepaalde verhouding bestaan wil de pijp goed klinken.
Is het pijpcorpus kort, dan trilt de luchtzuil erbinnen snel, de toon is hoog.
Is het pijpcorpus lang, dan trilt de luchtzuil erbinnen langzaam, de toon is laag.

Uit het feit, dat de toon, die een octaaf hoger klinkt dan een gegeven toon, tweemaal zoveel trillingen per seconde heeft, gecombineerd met de wet van de lange en de korte luchtzuil, volgt, dat de pijp, die deze hogere toon voortbrengt, de halve lengte heeft.
Uit het feit, dat een gedekte of halfgedekte pijp een octaaf lager klinkt dan een open pijp van dezelfde lengte, volgt, dat men, ten einde ruimte en materiaal te besparen, voor zeer laag klinkende tonen gaarne gedekte pijpen gebruikt.

Dit natuurlijk afgezien van het eigen klankkarakter van gedekte pijpen.

Onderstaand de afbeeldingen van de soorten pijpwerk

De registers in het kort.

Inleiding registers

Bouwt men voor elke toets van een klavier een pijp van dezelfde klankkleur, dan ontstaat er een pijpenrij, die men register of ook wel stem noemt.
Registers, gevormd door lippijpen heten labialen
Registers, gevormd door tongpijpen het lingualen of tongwerken.

Om een register te verkrijgen van  normale toonhoogte, d.w.z. a¹ = 440 tr/sec., moet men een rij pijpen bouwen waarvan de grootste 8 voet , d.i. ± 2.40 meter , lang is.
Het gehele register wordt naar deze langste pijp een 8 voetsregister genoemd.

Dit wordt aangegeven door achter de naam van het register de aanduiding 8’ te plaatsen.

Bij sommige orgels (in het bijzonder de oude) staat er dan 8 vt (of v)
Wij zagen, dat gedekte pijpen een octaaf lager klinken dan open pijpen van dezelfde lengte
Hieruit volgt, dat bij een register van gedekte pijpen van normale toonhoogte de grootste pijp slechts 4 voet lang is.
Toch noemen wij ook dat een 8 voets register.
Wij gaan dus uiteindelijk af op de klank.

Ieder goed orgel heeft behalve een kern van 8 voets registers in verscheidene klankkleuren en één of meer 16 voets registers (meestal, wegens de grote lengte in open uitvoering, gebouwd als gedekte stem), een aantal registers in voethoogten van de verschillende boventonen als 4’ (=8’:2), 2²/3’ (8’:3), 2’ (=8’:4), 1 ³/5 (8’:5), enz.

Trekken wij nu een 8’ , 4’ , 2²/3’, 2’ en een 1 ³/5‘ register open en slaan wij de toets C (de laagste toets dus) aan dan klinken de tonen C – c – g - c¹ en e¹;
Slaan wij D aan dan horen wij D – d – a - d¹ - en fis¹; enz.

 

GRONDSTEMMEN:
Wij zien dat er in de reeksen, zoals gegeven in deel 12 bij de inleiding, tonen voorkomen waarvan de naam overeenkomt met die van de aangeslagen toets.

De registers, die deze tonen voortbrengen, dus 8’ , 4’ , 2’ (en ook 16’ en eventueel 32’ ), noemt men grondstemmen.
Op het orgel in de Dorpskerk is dit: Holpijp 8’ - Praestant 8’ – Flute Travêrs  8’ – Fluyt 4’ – Prestant 4’ – Octaaf 2’

VULSTEMMEN:
De registers 2²/3’ en 1 ³/5‘, waarvan de namen van de voortgebrachte tonen niet overeenkomen met die van de aangeslagen toets, noemt men “enkelvoudige vulstemmen”.
Het orgel in de Dorpskerk heeft als enkelvoudige vulstemmen de Quint 3’
Worden verschillende boventoonreeksen verenigd in één register dan ontstaat er een “samengestelde vulstem”.
Zulk een vulstem heeft dus voor elke toets twee of meer pijpen van verschillende hoogte.

Wij spreken van 2-sterk, 3-sterk, enz.

Op het orgel in de Dorpskerk is dit: Cornet 3 sterk (zie foto boven).
De cornet (en ook de Sesquialter en de Tertiaan) hebben echter behalve octaaf- en quintrijen (ook wel koren genoemd) een tertsrij.
Deze registers lopen doorgaans niet vanaf C, maar vanaf g of c¹.
Is b.v. de Cornet 3-sterk dan is de samenstelling: 8’ , 4’ 2²/3’.
Op c¹ klinken dus de tonen c¹ - c² - g².

TONGWERKEN:

Deze worden vrijwel uitsluitend in de voethoogten 16’ 8’ 4’ en 2’ gebouwd.
In Amerika schijnt een enkele maal op een zeer groot orgel b.v. een Hobo 5¹/3’ voor te komen.
Het orgel in de Dorpskerk heeft geen tongwerken.

Tongwerken zijn o.a. Trompet – Dulciaan – Bazuin – Schalmei – Hobo.

5. Dispositie

Onder dispositie verstaan wij het geheel van registers dat een orgel bevat.
Bij de samenstelling van een dispositie zal men streven naar een zo groot mogelijke verscheidenheid van klankkleuren in diverse voethoogten, opgebouwd uit grondstemmen, vulstemmen en tongwerken.  

Het is voor de begeleiding van de gemeentezang gewenst de registers te verdelen over twee klavieren en pedaal, o.m. om de mogelijkheid te scheppen van het spelen “met uitkomende stem”.
De totaalklank van het orgel, als ook die van de klavieren afzonderlijk, dient een goed geheel te vormen.
Het samenstellen van een goede dispositie is dan ook een moeilijk en verantwoordelijk werk.
Hiermee in nauw verband staat de eis tot een juiste mensurering van de pijpen, zodat het mogelijk wordt de intonatie zó te doen zijn dat de timbres van de stemmen goed bij elkaar passen en voldoende zijn aangepast aan de ruimte waarin het instrument staat opgesteld.

Om een inzicht te krijgen in de opbouw van verschillende disposities bestaat er een overzicht met namen en de meest voorkomende voethoogten van de belangrijkste grondstemmen, vulstemmen en tongwerken.
Heel veel is afhankelijk van ruimte, akoestiek, beschikbaar budget en plaatsing.
Smaak en inzicht spelen ook een belangrijke rol.
Vaak wordt ook gerefereerd aan al bestaande orgels.
Soms, zoals in de Dorpskerk van Vierpolders, maakt men een exacte kopie van een historisch orgel.

Het originele orgel wordt ontleed m.b.t. de samenstelling van de materialen en gebruikte metaallegeringen.
Het is begrijpelijk dat dit alleen gedaan kan worden door orgelbouwers en adviseurs met een enorme ervaring en vakmanschap.
In de Dorpskerk van Vierpolders is dit met succes gedaan.

Overzicht van de belangrijkste grondstemmen, vulstemmen en tongwerken:

LABIALEN

Grond-

Stem-

men

Cilindrisch

Conisch

Trechtervormig

ENG

Open

Gedekt

Halfgedekt

Open

Gedekt

Open

Aeoline 8’

Quintade-na 16’ , 8’ , 4’

 

Spitsgamba 8’

 

Dolce 8’

Viola di Gamba 8’

 

 

 

 

 

Salicionaal 8’

 

 

 

 

 

Violon 16’ , 8’

 

 

 

 

 

Voix céleste 8’

 

 

 

 

 

Nor-maal

Vioolprestant 8’

Subbas 16’

Roerfluit 8’ , 4’

Spitsprestant 8’ , 4’ , 2’

Spitsgedekt  16’ , 8’

Tolkaan 8’ , 4’

Prestant 16’ , 8’ , 4’ , 2’

Bourdon 16’ , 8’

 

Spitsoctaaf 4’ , 2’ , 1’

 

 

Octaaf 8’ , 4’ , 2’

Gedekt 8’

 

 

 

 

Octaafbas 8’

Holpijp 8’

 

 

 

 

Wijd

Open fluit 8’ , 4’

Wijdgedekt 8’

Koppelfluit 8’ , 4’

Gemshoorn 8’ , 4’ , 2’

 

 

Nachthoorn 4’ , 2’

Gedekte fluit 4’

 

Baarpijp 8’ , 4’

 

 

Flageolet 2’ , 1’

 

 

Blokfluit 2’ , 1’

 

 

Vulstem-

men

Enkel-
voudig

Quint 2 2/3’, 1 1/3’

 

Roerquint 2 2/3’

Nasard 2 2/3’, 1 1/3’

 

 

Terts 1 3/5’

 

 

 

 

 

Samen
gesteld

Ruispijp 2 2/3’

 

 

 

 

 

Mixtuur 2’ , 1 1/3’

 

 

 

 

 

Scherp 1’ , 2/3’

 

 

 

 

 

Cymbel ½’

 

 

 

 

 

Cornet

 

 

 

 

 

Sesqualter

 

 

 

 

 

Tertiaan

 

 

 

 

 

Tongwerken

Cilindrisch

Conisch

Trechtervormig

Kortbekerig

Eng

Kromhoorn 8’ , 4’

Musette 8’ , 4’

Basson-Hobo 8’ , 4’

Trechterregaal 16’ , 8’

Nor-maal

Dulciaan 16’ , 8’ , 4’

 

Schalmei 4’

Vox Humana 8’

Wijd

Cinck 4’ , 2’

 

Trompet 16’ , 8’ , 4’

Ranket 16’ , 8’

 

 

Bazuin 16’

 

                       

6: Stemming.

1: Lippijpen.

De lengte van open, metalen pijpen en daarmee de voortgebrachte toonhoogte kan worden veranderd door de stemrol met een stemijzer omlaag of omhoog te tikken.
Indien omlaag, dan wordt de trillende luchtzuil korter en dus de toon hoger, en andersom.
Soms bevindt zich aan de bovenkant van de pijp in plaats van een stemrol een stemring, d.i. een orgelmetalen ring die zich door veerkracht van het metaal om de pijp klemt.
Hiermee kan de pijp dus worden verlengd of verkort.

Houten open pijpen kunnen worden gestemd door een stemschuif of een stemlap omhoog of omlaag te slaan.
Zeer kleine metalen pijpen worden gestemd met een stemhoorn.
Zij hebben geen steminrichting en worden lager van toon door de bovenrand in te wrijven, hoger door deze uit te wrijven.
Metalen en houten gedekte of halfgedekte pijpen worden gestemd door een hoed, resp. de stop omhoog of omlaag te schuiven.

2: Tongpijpen.

Deze worden gestemd door de stemkruk omhoog of omlaag te tikken.
Omhoog wordt de tong langer, dus de toon lager en andersom.
Het bijstemmen van de tongwerken is nogal eens nodig, vooral bij temperatuurswisselingen.
Hoewel daarbij eigenlijk de labialen veranderen van toonhoogte, stemmen wij toch de tongwerken bij, omdat deze geringer in aantal zijn.
Het is daarom van belang dat een organist in staat is zelf de tongwerken zuiver te houden.
Let er wel op dat er niet te hard wordt getikt op de kruk.
Het gaat bij het wegnemen van het laatste restje onzuiverheid soms om een fractie van een millimeter hoger of lager.

Hoe kunnen wij nu horen op een toon zuiver is?
Door te letten op de zweving, die het hoorbare kenmerk van onzuiverheid is.
Bij het te stemmen tongwerk trekken wij een register, dat zuiver gestemd is.
Slaan wij nu een toets aan dan horen wij, wanneer de tongpijp onzuiver is, een zweving die sneller is naarmate de pijp onzuiverder is.

Nu is de vraag of de pijp te hoog of te laag is.
Er is veel oefening nodig om dit direct te horen.
Wij kunnen het echter ook proefondervindelijk te weten komen.
Wij tikken de stemkruk voorzichtig wat omhoog.
Wordt de zweving nu sneller, dan zijn wij op de verkeerde weg.
Wordt de zweving minder snel, dan tikken wij voorzichtig door tot de zweving geheel verdwenen is en de stemming “strak” staat.

Vooral wanneer wij nog niet voldoende routine hebben gebeurd het vaak dat wij door het punt van zuiverheid heenslaan en er een nieuwe zweving komt.
Dan natuurlijk niet doortikken, maar de andere kant uit tikken.
Is de onzuiverheid een gevolg van de temperatuurswisseling dan kunnen wij erop rekenen dat alle stemkrukken in de zelfde richting moeten worden getikt.
Hiervoor gelden de volgende regels:
Is de temperatuur lager dan bij de vorige stemming, dan moeten de tongwerken ook lager worden gestemd.
Stemkruk omhoog.
Is de temperatuur hoger dan bij de vorige stemming, dan moeten de tongwerken ook hoger worden gestemd.
Stemkruk omlaag.

De volgende tabel geeft aan met welke registers wij de tongwerken kunnen stemmen.

Achtvoets tongwerken  -  Octaaf 4’ of Prestant 4’

Viervoets tongwerken  -  Octaaf 4’ en een (vooraf zuiver gestemd) tongwerk 8’ .

Zestienvoets tongwerken - Tongwerk8’ (vooraf zuiver gestemd), soms ook alleen met de Octaaf 4’ .

7: Windvoorziening

 

 

 

 

 

 

 

De wind voor de pijpen en zo nodig voor de tractuur (de wijze van verbinding tussen de windladen, klavieren en registers) wordt geleverd door een windmachine.
Dit is een elektromotor waaraan een schoepenrad is bevestigd (ventilator).
De windmachine drijft de wind in één of meer regulateurs.
Tussen regulateur en windmachine bevindt zich een reguleerkast met rolgordijn.
Het rolgordijn is verbonden met het bovenblad van de regulateur.
Dit bovenblad is belast met stukken ijzer of steen.
Is de regulateur voldoende met wind gevuld, dan is het rolgordijn gesloten.
Zodra er wind verbruikt wordt, zakt het bovenblad en wordt het rolgordijn opgetrokken, zodat de windmachine nieuwe wind kan toevoeren.
Som wordt i.p.v. een rolgordijn een reguleerklep toegepast.
De hoogte van de winddruk wordt uitgedrukt in millimeter waterdruk.

Om de wind te meten gebruikt men een z.g. windwaag.
Dit is een U-vormig gebogen glazen buis, waaraan een gummislang met mondstuk is bevestigd.
In de regulateur boort men een gat waarin het mondstuk past.
De glazen buis wordt gedeeltelijk met water gevuld.
Wanneer de windmachine loopt, wordt het water opgestuwd, d.w.z. het daalt in het ene been en stijgt in het andere been van de buis.
Het verschil in millimeters tussen beide wateroppervlakken geeft de hoogte van de winddruk aan.
De winddruk wordt geregeld door de belasting van het bovenblad groter of kleiner te maken.
In plaats van stukken ijzer of steen gebruikt men ook wel stalen trekveren, die meer of minder gespannen kunnen worden.
De normale winddruk bedraagt 60 tot 70 millimeter .

Door houten kanalen, flexibele buizen of metalen smalle buizen, wordt de wind uit de regulateur in de windladen gevoerd.

Om de voortplanting van motortrillingen tegen te gaan, worden verscheidene maatregelen genomen.


*   De windmachine wordt op veren geplaatst of verend opgehangen.

*   Tussen de windmachine en de reguleerkast wordt een z.g. soepele
     koppeling aangebracht, gemaakt van rubber of schapenleer.

*   Om de windmachine wordt een dubbelwandige geluiddempende kast aangebracht.

De windmachine wordt bij voorkeur in of vlak bij het orgel geplaatst; in ieder geval zo, dat de aangezogen lucht dezelfde temperatuur heeft dan die in de kerkruimte, om ontstemming van het pijpwerk te voorkomen.
Voordat de windmachine kon worden toegepast bevatte ieder orgel een grote magazijnbalg die door het pompen of trappen van schepbalgen werd gevuld.
Zo ontstond er een reservoir van orgelwind, waarmee de organist enige tijd toekon.

Op vrijwel alle orgels vindt men een Tremulant.
Dit is een klein balgapparaat, dat dient om regelmatige golving in de windtoevoer tot het pijpwerk te veroorzaken.

8. Windladen

Op de windladen staan de pijpen.
In de windladen wordt de orgelwind verdeeld en wel zo dat iedere pijp (bij samengestelde vulstemmen iedere pijpengroep) apart kan worden aangeblazen, of, naar het believen van de organist, in combinatie met een willekeurig aantal andere pijpen.

In grote trekken worden pijpen zó opgesteld dat de pijpenrij voor ieder register, (dus voor iedere toets een pijp met dezelfde klankkleur) de lengte van de windlade beslaat.
Deze rij noemen wij de registerrij.

Om ons verder niet te verliezen in theoretische beschouwingen en vooral om de tekeningetjes niet te ingewikkeld te maken, zullen we in dit hoofdstuk uitgaan van een orgeltje met twaalf toetsen en drie registers.

 

De toetsen zijn:
c, cis, dis, d, dis, e, f, fis, g, gis, a, ais en b.

 

De namen zijn op de foto aangegeven.

Stukje van het klavier van de Dorpskerk te Vierpolders.

 

 

 

De registers zijn:
Holpijp 8 – Prestant 4’ en Mixtuur 2-sterk.

 

De registers zijn op de foto aangegeven.
Stukje van de registerplaats van het orgel in de Dorpskerk van Vierpolders.

De Dorpskerk heeft geen Mixtuur, wel de Holpijp en de Prestant.

 

De registerrijen bevatten dus resp. 12, 12 en 24 pijpen, de toetsenrijen steeds 4 pijpen (1 Holpijp-, 1 Prestant- en 2 Mixtuurpijpen).  

Bekijken wij de windlade met pijpen van boven, dan zien wij het volgende beeld:

Dit is de z.g. chromatische opstelling.
Door de wijdste pijpen “zigzag” (in de orgelbouw noemt men dit “in verband”) te plaatsen kan de windlade belangrijk korter worden, al neemt hierdoor de breedte wat toe.
De opstelling van de pijpen op de windlade kan op allerlei manieren plaatsvinden.

De pijpen staan in pijproosters en op pijpstokken.
Deze “roosters” en “stokken” lopen in de lengterichting van de lade en bevatten dus registerrijen of gedeelten daarvan.

De roosters worden op hun plaats en op de juiste afstand van de stokken gehouden door stempels.
De mixtuurstok heeft verboringen om het mogelijk te maken de twee pijpen per toets door één aanvoergat te blazen.

 

a: de tooncancel-lade;
b: de registercancel-lade;
c: de unit-lade.

Bovenstaande laden worden afzonderlijk besproken.  

 

 

 

Een kijkje binnenin het orgel van de Dorpskerk in Vierpolders.

 

Links: de Prestant 8’

Midden: de Fluyt 4’

Rechts: de Holpijp 8’

De tooncancellade

Bij dit ladetype is het raamwerk door tussenschotten, scheien genoemd, verdeelt in een aantal vakken, gelijk aan het aantal toetsen. 
In ons voorbeeld geval dus 12.
Hiermee is dus een indeling van de lade gemaakt t.b.v. de toetsenrijen.
Aan beide zijden van dit cancellenraam wordt een afdekplaat gelijmd waarmee de tooncancellen compleet zijn.

In de bovenste afdekplaat zij n de gaten geboord op de plaats waarboven straks de aanvoergaten van de stokken komen, in ons voorbeeld geval dus 12 x 3 gaten.
In de onderste afdekplaat zijn rechthoekige gaten gezaagd waartegen later de kleppen of ventielen verend worden aangebracht.
In plaats van met afdekplaten werden vroeger de cancellen afgesloten door tussen de scheien zowel onder als boven dunne latjes te lijmen.
Zulke latjes heten sponsels.
Men onderscheidt dus ondersponsels en bovensponsels.

Onder de onderste afdekplaat wordt de kleppenkast bevestigd, die aan de voorzijde wordt afgesloten door een wegneembare voorslag.
In deze kleppenkast wordt de wind ingevoerd.
De kleppen worden aan de bovenkant bekleed met vilt en leer en aan de onderkant verbonden met een metalen draad, de schalm, die weer bevestigd is aan de pulpeet.
Een pulpeet is een luchtzakje van soepel leer dat op het onderblad van de ventielkast wordt gelijmd.

Dit onderblad wordt daarom ook wel pulpetenplank genoemd; in deze plank worden evenveel gaten geboord als er ventielen zijn.
De pulpeten sluiten deze gaten af en maken het mogelijk de kleppen van buiten de windlade aan te trekken zonder verlies van wind.
Zo kunnen dus de toetsrijen afzonderlijk worden bediend.
Om nu ook iedere registerrij afzonderlijk te kunnen gebruiken, worden er op de bovenste afdekplaat dunne latten, z.g. dammen, gelijmd en wel zo dat er smalle sleuven ontstaan waarin zich de gaten van de registerrijen bevinden.
Op deze dammen worden later de pijpstokken geschroefd.
In de sleuven liggen de slepen
Dit zijn lange stroken gemaakt van kunststof, plexiglas, celeron, e.d., waarin gaten zijn geboord precies op de afstanden van de gaten in de sleuf; dat zijn dus de zelfde afstanden waarop de aanvoergaten in de pijpstokken zijn geboord.
De slepen zijn schuifbaar.

Wanneer de drie gaten, dus in afdekplaat, sleep en pijpstok boven elkaar liggen is er een open verbinding tussen tooncancel en pijpvoet; wordt er nu een ventiel geopend dan kan de wind uit de kleppenkast door de cancel en deze open verbinding de pijp aanblazen.
Wordt de sleep verschoven dan is de verbinding verbroken en kan er geen enkele pijp van deze registerrij meer “spreken”.
Voorlopers van de sleeplade zijn de blokwerkladen en de springladen.  

Onderstaand een eerder beschreven kijkje in de cancellade.

Onder: Dwarsdoorsnede tooncancellade

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onder: Laden met dammen, slepen en pijpstok

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dispositie

Onder dispositie verstaan wij het geheel van registers dat een orgel bevat.

Bij de samenstelling van een dispositie zal men streven naar een zo groot mogelijke verscheidenheid van klankkleuren in diverse voethoogten, opgebouwd uit grondstemmen, vulstemmen en tongwerken. 
Het is voor de begeleiding van de gemeentezang gewenst de registers te verdelen over twee klavieren en pedaal, o.m. om de mogelijkheid te scheppen van het spelen “met uitkomende stem”. 
De totaalklank van het orgel, als ook die van de klavieren afzonderlijk, dient een goed geheel te vormen.

Het samenstellen van een goede dispositie is dan ook een moeilijk en verantwoordelijk werk. 
Hiermee in nauw verband staat de eis tot een juiste mensurering van de pijpen, zodat het mogelijk wordt de intonatie zó te doen zijn dat de timbres van de stemmen goed bij elkaar passen en voldoende zijn aangepast aan de ruimte waarin het instrument staat opgesteld.

Om een inzicht te krijgen in de opbouw van verschillende disposities bestaat er een overzicht met namen en de meest voorkomende voethoogten van de belangrijkste grondstemmen, vulstemmen en tongwerken.

Heel veel is afhankelijk van ruimte, akoestiek, beschikbaar budget en plaatsing. 
Smaak en inzicht spelen ook een belangrijke rol.

Vaak wordt ook gerefereerd aan al bestaande orgels. 
Soms, zoals in de Dorpskerk van Vierpolders, maakt men een exacte kopie van een historisch orgel. 
Het originele orgel wordt ontleed m.b.t. de samenstelling van de materialen en gebruikte metaallegeringen. 
Het is begrijpelijk dat dit alleen gedaan kan worden door orgelbouwers en adviseurs met een enorme ervaring en vakmanschap. 
In de Dorpskerk van Vierpolders is dit met succes gedaan.

Overzicht van de belangrijkste grondstemmen, vulstemmen en tongwerken:

LABIALEN

Grondstem-
men

Cilindrisch

Conisch

Trechtervormig

ENG

Open

Gedekt

Halfgedekt

Open

Gedekt

Open

Aeoline 8’

Quintade-na 16’ , 8’ , 4’

 

Spitsgamba 8’

 

Dolce 8’

Viola di Gamba 8’

 

 

 

 

 

Salicionaal 8’

 

 

 

 

 

Violon 16’ , 8’

 

 

 

 

 

Voix céleste 8’

 

 

 

 

 

Normaal

Vioolprestant 8’

Subbas 16’

Roerfluit 8’ , 4’

Spitsprestant 8’ , 4’ , 2’

Spitsgedekt  16’ , 8’

Tolkaan 8’ , 4’

Prestant 16’ , 8’ , 4’ , 2’

Bourdon 16’ , 8’

 

Spitsoctaaf 4’ , 2’ , 1’

 

 

Octaaf 8’ , 4’ , 2’

Gedekt 8’

 

 

 

 

Octaafbas 8’

Holpijp 8’

 

 

 

 

Wijd

Open fluit 8’ , 4’

Wijdgedekt 8’

Koppelfluit 8’ , 4’

Gemshoorn 8’ , 4’ , 2’

 

 

Nachthoorn 4’ , 2’

Gedekte fluit 4’

 

Baarpijp 8’ , 4’

 

 

Flageolet 2’ , 1’

 

 

Blokfluit 2’ , 1’

 

 

Vulstemmen

Enkelvou-
dig

Quint 2 2/3’, 1 1/3’

 

Roerquint 2 2/3’

Nasard 2 2/3’, 1 1/3’

 

 

Terts 1 3/5’

 

 

 

 

 

Samen-
gesteld

Ruispijp 2 2/3’

 

 

 

 

 

Mixtuur 2’ , 1 1/3’

 

 

 

 

 

Scherp 1’ , 2/3’

 

 

 

 

 

Cymbel ½’

 

 

 

 

 

Cornet

 

 

 

 

 

Sesqualter

 

 

 

 

 

Tertiaan

 

 

 

 

 

 

Tongwerken

Cilindrisch

Conisch

Trechtervormig

Kortbekerig

Eng

Kromhoorn 8’ , 4’

Musette 8’ , 4’

Basson-Hobo 8’ , 4’

Trechterregaal 16’ , 8’

Normaal

Dulciaan 16’ , 8’ , 4’

 

Schalmei 4’

Vox Humana 8’

Wijd

Cinck 4’ , 2’

 

Trompet 16’ , 8’ , 4’

Ranket 16’ , 8’

 

 

Bazuin 16’

 

 

6: Stemming.

1: Lippijpen.

De lengte van open, metalen pijpen en daarmee de voortgebrachte toonhoogte kan worden veranderd door de stemrol met een stemijzer omlaag of omhoog te tikken.
Indien omlaag, dan wordt de trillende luchtzuil korter en dus de toon hoger, en andersom.
Soms bevindt zich aan de bovenkant van de pijp in plaats van een stemrol een stemring, d.i. een orgelmetalen ring die zich door veerkracht van het metaal om de pijp klemt.
Hiermee kan de pijp dus worden verlengd of verkort.

Houten open pijpen kunnen worden gestemd door een stemschuif of een stemlap omhoog of omlaag te slaan.
Zeer kleine metalen pijpen worden gestemd met een stemhoorn.
Zij hebben geen steminrichting en worden lager van toon door de bovenrand in te wrijven, hoger door deze uit te wrijven.
Metalen en houten gedekte of halfgedekte pijpen worden gestemd door een hoed, resp. de stop omhoog of omlaag te schuiven.

2: Tongpijpen.

Deze worden gestemd door de stemkruk omhoog of omlaag te tikken.
Omhoog wordt de tong langer, dus de toon lager en andersom.
Het bijstemmen van de tongwerken is nogal eens nodig, vooral bij temperatuurswisselingen.
Hoewel daarbij eigenlijk de labialen veranderen van toonhoogte, stemmen wij toch de tongwerken bij, omdat deze geringer in aantal zijn.
Het is daarom van belang dat een organist in staat is zelf de tongwerken zuiver te houden.
Let er wel op dat er niet te hard wordt getikt op de kruk.
Het gaat bij het wegnemen van het laatste restje onzuiverheid soms om een fractie van een millimeter hoger of lager.

Hoe kunnen wij nu horen op een toon zuiver is?
Door te letten op de zweving, die het hoorbare kenmerk van onzuiverheid is.
Bij het te stemmen tongwerk trekken wij een register, dat zuiver gestemd is.
Slaan wij nu een toets aan dan horen wij, wanneer de tongpijp onzuiver is, een zweving die sneller is naarmate de pijp onzuiverder is.
Nu is de vraag of de pijp te hoog of te laag is.
Er is veel oefening nodig om dit direct te horen.
Wij kunnen het echter ook proefondervindelijk te weten komen.
Wij tikken de stemkruk voorzichtig wat omhoog.
Wordt de zweving nu sneller, dan zijn wij op de verkeerde weg.
Wordt de zweving minder snel, dan tikken wij voorzichtig door tot de zweving geheel verdwenen is en de stemming “strak” staat.
Vooral wanneer wij nog niet voldoende routine hebben gebeurd het vaak dat wij door het punt van zuiverheid heenslaan en er een nieuwe zweving komt.
Dan natuurlijk niet doortikken, maar de andere kant uit tikken.
Is de onzuiverheid een gevolg van de temperatuurswisseling dan kunnen wij erop rekenen dat alle stemkrukken in de zelfde richting moeten worden getikt.

Hiervoor gelden de volgende regels:
Is de temperatuur lager dan bij de vorige stemming, dan moeten de tongwerken ook lager worden gestemd.
Stemkruk omhoog.
Is de temperatuur hoger dan bij de vorige stemming, dan moeten de tongwerken ook hoger worden gestemd.
Stemkruk omlaag.
De volgende tabel geeft aan met welke registers wij de tongwerken kunnen stemmen.


Achtvoets tongwerken               Octaaf 4’ of Prestant 4’

Viervoets tongwerken                Octaaf 4’ en een (vooraf zuiver gestemd) tongwerk 8’ .

Zestienvoets tongwerken           Tongwerk8’ (vooraf zuiver gestemd), soms ook alleen met de Octaaf 4’ .

7: Windvoorziening

 

 

 

 

 

 

 

 

De wind voor de pijpen en zo nodig voor de tractuur (de wijze van verbinding tussen de windladen, klavieren en registers) wordt geleverd door een windmachine.
Dit is een elektromotor waaraan een schoepenrad is bevestigd (ventilator).

De windmachine drijft de wind in één of meer regulateurs.
Tussen regulateur en windmachine bevindt zich een reguleerkast met rolgordijn.
Het rolgordijn is verbonden met het bovenblad van de regulateur.
Dit bovenblad is belast met stukken ijzer of steen.

Is de regulateur voldoende met wind gevuld, dan is het rolgordijn gesloten.
Zodra er wind verbruikt wordt, zakt het bovenblad en wordt het rolgordijn opgetrokken, zodat de windmachine nieuwe wind kan toevoeren.

Som wordt i.p.v. een rolgordijn een reguleerklep toegepast.
De hoogte van de winddruk wordt uitgedrukt in millimeter waterdruk.

 

Om de wind te meten gebruikt men een z.g. windwaag.
Dit is een U-vormig gebogen glazen buis, waaraan een gummislang met mondstuk is bevestigd.
In de regulateur boort men een gat waarin het mondstuk past.
De glazen buis wordt gedeeltelijk met water gevuld.
Wanneer de windmachine loopt, wordt het water opgestuwd, d.w.z. het daalt in het ene been en stijgt in het andere been van de buis.
Het verschil in millimeters tussen beide wateroppervlakken geeft de hoogte van de winddruk aan.

De winddruk wordt geregeld door de belasting van het bovenblad groter of kleiner te maken.
In plaats van stukken ijzer of steen gebruikt men ook wel stalen trekveren, die meer of minder gespannen kunnen worden.
De normale winddruk bedraagt 60 tot 70 millimeter .

Door houten kanalen, flexibele buizen of metalen smalle buizen, wordt de wind uit de regulateur in de windladen gevoerd.
Om de voortplanting van motortrillingen tegen te gaan, worden verscheidene maatregelen genomen.

*   De windmachine wordt op veren geplaatst of verend opgehangen.
*   Tussen de windmachine en de reguleerkast wordt een z.g. soepele koppeling aangebracht, gemaakt van rubber of schapenleer.
*   Om de windmachine wordt een dubbelwandige geluiddempende kast aangebracht.

De windmachine wordt bij voorkeur in of vlak bij het orgel geplaatst; in ieder geval zo, dat de aangezogen lucht dezelfde temperatuur heeft dan die in de kerkruimte, om ontstemming van het pijpwerk te voorkomen.

Voordat de windmachine kon worden toegepast bevatte ieder orgel een grote magazijnbalg die door het pompen of trappen van schepbalgen werd gevuld.
Zo ontstond er een reservoir van orgelwind, waarmee de organist enige tijd toekon.
Op veel orgels vindt men een Tremulant.
Dit is een klein balgapparaat, dat dient om regelmatige golving in de windtoevoer tot het pijpwerk te veroorzaken.

8: Windladen

Op de windladen staan de pijpen.
In de windladen wordt de orgelwind verdeeld en wel zo dat iedere pijp (bij samengestelde vulstemmen iedere pijpengroep) apart kan worden aangeblazen, of, naar het believen van de organist, in combinatie met een willekeurig aantal andere pijpen.

In grote trekken worden pijpen zó opgesteld dat de pijpenrij voor ieder register, (dus voor iedere toets een pijp met dezelfde klankkleur) de lengte van de windlade beslaat.
Deze rij noemen wij de registerrij.

De pijpenrij, behorende bij iedere toets (dus voor ieder register een pijp van dezelfde naam) beslaat de breedte van de windlade.
Deze rij noemen wij de toetsrij.

Om ons verder niet te verliezen in theoretische beschouwingen en vooral om de tekeningetjes niet te ingewikkeld te maken, zullen we in dit hoofdstuk uitgaan van een orgeltje met twaalf toetsen en drie registers.

De toetsen zijn:
c, cis, dis, d, dis, e, f, fis, g, gis, a, ais en b.

 

De namen zijn op de foto aangegeven.

Stukje van het klavier van de Dorpskerk te Vierpolders.

 

 

 

 

 

 

De registers zijn:
Holpijp 8 – Prestant 4’ en Mixtuur 2-sterk.

De registers zijn op de foto aangegeven.
Stukje van de registerplaats van het orgel in de Dorpskerk van Vierpolders.

De Dorpskerk heeft geen Mixtuur, wel de Holpijp en de Prestant.

 

De registerrijen bevatten dus resp. 12, 12 en 24 pijpen, de toetsenrijen steeds 4 pijpen (1 Holpijp-, 1 Prestant- en 2 Mixtuurpijpen).

 

Bekijken wij de windlade met pijpen van boven, dan zien wij het volgende beeld:

Dit is de z.g. chromatische opstelling.
Door de wijdste pijpen “zigzag” (in de orgelbouw noemt men dit “in verband”) te plaatsen kan de windlade belangrijk korter worden, al neemt hierdoor de breedte wat toe.
De opstelling van de pijpen op de windlade kan op allerlei manieren plaatsvinden.

De pijpen staan in pijproosters en op pijpstokken.

Deze “roosters” en “stokken” lopen in de lengterichting van de lade en bevatten dus registerrijen of gedeelten daarvan.
De roosters worden op hun plaats en op de juiste afstand van de stokken gehouden door stempels.
De mixtuurstok heeft verboringen om het mogelijk te maken de twee pijpen per toets door één aanvoergat te blazen.

De constructie van dit raamwerk is niet altijd gelijk.
Men kan hier spreken van een historische ontwikkeling, waarom het nodig is onderscheid te maken tussen drie ladentypen:

a: de tooncancel-lade;
b: de registercancel-lade;
c: de unit-lade.

Bovenstaande laden worden afzonderlijk besproken.

 

Een kijkje binnenin het orgel van de Dorpskerk in Vierpolders.

 

Links: de Prestant 8’

Midden: de Fluyt 4’

Rechts: de Holpijp 8’

 

 

 

 

De tooncancel-lade

Bij dit ladetype is het raamwerk door tussenschotten, scheien genoemd, verdeelt in een aantal vakken, gelijk aan het aantal toetsen. In ons voorbeeld geval dus 12.
Hiermee is dus een indeling van de lade gemaakt t.b.v. de toetsenrijen.
Aan beide zijden van dit cancellenraam wordt een afdekplaat gelijmd waarmee de tooncancellen compleet zijn.
In de bovenste afdekplaat zijn de gaten geboord op de plaats waarboven straks de aanvoergaten van de stokken komen, in ons voorbeeld geval dus 12 x 3 gaten.

In de onderste afdekplaat zijn rechthoekige gaten gezaagd waartegen later de kleppen of ventielen verend worden aangebracht.
In plaats van met afdekplaten werden vroeger de cancellen afgesloten door tussen de scheien zowel onder als boven dunne latjes te lijmen.
Zulke latjes heten sponsels.
Men onderscheidt dus ondersponsels en bovensponsels.

Onder de onderste afdekplaat wordt de kleppenkast bevestigd, die aan de voorzijde wordt afgesloten door een wegneembare voorslag.
In deze kleppenkast wordt de wind ingevoerd.
De kleppen worden aan de bovenkant bekleed met vilt en leer en aan de onderkant verbonden met een metalen draad, de schalm, die weer bevestigd is aan de pulpeet.
Een pulpeet is een luchtzakje van soepel leer dat op het onderblad van de ventielkast wordt gelijmd.
Dit onderblad wordt daarom ook wel pulpetenplank genoemd; in deze plank worden evenveel gaten geboord als er ventielen zijn.
De pulpeten sluiten deze gaten af en maken het mogelijk de kleppen van buiten de windlade aan te trekken zonder verlies van wind.
Zo kunnen dus de toetsrijen afzonderlijk worden bediend.

Om nu ook iedere registerrij afzonderlijk te kunnen gebruiken, worden er op de bovenste afdekplaat dunne latten, z.g. dammen, gelijmd en wel zo dat er smalle sleuven ontstaan waarin zich de gaten van de registerrijen bevinden.
Op deze dammen worden later de pijpstokken geschroefd.
In de sleuven liggen de slepen.
Dit zijn lange stroken gemaakt van kunststof, plexiglas, celeron, e.d., waarin gaten zijn geboord precies op de afstanden van de gaten in de sleuf; dat zijn dus de zelfde afstanden waarop de aanvoergaten in de pijpstokken zijn geboord.
De slepen zijn schuifbaar.
Wanneer de drie gaten, dus in afdekplaat, sleep en pijpstok boven elkaar liggen is er een open verbinding tussen tooncancel en pijpvoet; wordt er nu een ventiel geopend dan kan de wind uit de kleppenkast door de cancel en deze open verbinding de pijp aanblazen.
Wordt de sleep verschoven dan is de verbinding verbroken en kan er geen enkele pijp van deze registerrij meer “spreken”.

Voorlopers van de sleeplade zijn de blokwerkladen en de springladen.

Onderstaand een eerder beschreven kijkje in de cancellade.

Onder: Laden met dammen, slepen en pijpstok

De registercancellade.

Ook bij dit ladetype wordt het hiervoor genoemde raamwerk in vakken verdeeld, maar dan door tussenschotten, die in de lengterichting lopen en dammen worden genoemd.
We merken op dat het woord DAM twee betekenissen kan hebben.

Dit is dus de indeling t.b.v. de registerrijen.
Deze cancellen heten dan ook registercancellen.
In ons orgeltje van 12 toetsen en 3 stemmen zal de windlade daarom drie van zulke cancellen bevatten.

Nu zal ook in deze windlade een inrichting moeten zijn om de registerrijen te kunnen bedienen en één ter bediening van de toetsrijen.
Om de registerrijen te kunnen bedienen wordt er, evenals bij de tooncancellade voor de bediening van de toetsrijen, een soort kleppenkast gebouwd, maar nu aan de kop of in het midden van de lade.
Deze kast wordt gemonteerd onder of boven het cancellenraam en wordt aangesloten op het windkanaal.
Wordt door het openen van een register een registerklep opgetild, dan komt de betreffende registercancel “onder wind” te staan.

Voor de bediening van de toetsenrijen kunnen wij twee systemen onderscheiden waarnaar de gehele lade wordt genoemd, n.l. de membraanlade en de kegellade.
Bij de membraanlade (zie foto) worden er in de aanvoergaten naar de pijpen (in de pijpstok) buizen gelijmd (vaak van turboniet).
Deze buizen verlengen dus de aanvoergaten en zijn bijna zo lang als de dammen hoog zijn.
Onder het cancellenraam worden onderstokken geschroefd.
Dit zijn planken waarin evenveel gaten zijn geboord als er toetsen zijn.
In ons voorbeeldorgeltje bus 12.
Over deze gaten zijn veermembranen gelijmd waarvan de platte bovenzijde de toegang tot de turbonietbuizen afsluit.
Voor elk registercancel is er een onderstok, zodat wij, wanneer deze stokken zijn aangebracht, drie rijen van twaalf gaten aan de onderzijde van de lade zien.

Nu worden er in de breedterichting van de lade latten met ingefraisde groeven onder de onderstokken geschroefd, hier in het orgeltje dus 12, die de gaten afsluiten en in verbinding staan met een relais, wat wij ook een windkamer zouden kunnen noemen.
Zodra de balg wind levert staat dit relais onder druk en daarmee ook elke veermembraan, zodat deze wind samen met de ingebouwde veer het membraan tegen de turbonietbuis drukt.
Wordt nu een toets aangeslagen dan wordt de winddruk in het membraan weggenomen en houdt alleen de ingebouwde veer het membraan omhoog.
Wordt er nu door het inschakelen van een register een cancel onder wind gebracht, dan overwint deze winddruk de kracht van de veer, het membraan wordt omlaag geduwd en de wind kan via de turbonietbuis de pijp aanblazen.
Wordt de toets losgelaten, dan zijn de winddruk in het membraan samen met de ingebouwde veer weer sterker dan de winddruk in de cancel en wordt het membraan weer omhoog geduwd en de toegang tot de pijp afgesloten.

Om een snelle afsluiting te bevorderen sluit men soms het relais aan op een balg, die hogere druk levert dan de balg waarop de registerkast is aangesloten.

 

Bij de kegellade (zie foto) zijn er in de dammen evenveel gaten geboord als er toetsen zijn.
In de pijpstokken zijn de aanvoergaten niet in het midden, maar aan de rand van de stok geboord.
Wordt de stok op het cancellenraam geschroefd, dan passen de aanvoergaten op de gaten in de dammen.
Onder het cancellenraam worden onderstokken geschroefd waarin aan de bovenkant, eveneens aan de rand, gaten zijn geboord die passen op de gaten in de dammen en die door middel van verboringen in verbinding staan met de gaten die in het midden van de onderstok zijn geboord.
In deze laatste gaten bevinden zich de z.g. kegels.
Wordt door het aanslaan van een toets de kegel gelicht, dan kan de wind via de onderstok, dam en bovenstok de pijp aanblazen.

Wordt de toets losgelaten dan valt de kegel en is de toevoer van wind naar de pijpvoet afgesloten.


 

Links:

Dwarsdoorsnede van de registermechaniek.

 

 

 

 

 

 

De Unitlade

Bij de unitlade stroomt de wind in één grote kast onder de pijpen.
Onder elk aanvoergat naar een pijp bevindt zich een elektromagneet, die verbonden is met een kegel, een membraan of afsluitschijf.
Deze magneet is verbonden met een schakelbord, dat weer in verbinding staat met de registers en de toetsen.
Wordt een magneet bekrachtigd, dan kan de orgelwind langs membraan, kegel of afsluitschijf stromen en wordt de pijp aangeblazen.
De bedoeling van dit systeem is om met een betrekkelijk gering aantal pijpen een groot aantal registers te kunnen bouwen.
Wanneer men b.v. voor een klavier van 56 toetsen (C t/m g3) een rij van 80 pijpen van dezelfde klankkleur bouwt, waarvan de grootste 8 voet lang is, dan kan men daaruit een
8 voet , een 4 voet en een 2 voetsregister trekken.

In het eerste geval past men zulk een schakeling toe dat bij het inschakelen van de 8 voet de pijpen 1 t/m 56 spreken, in het tweede geval schakelt men zo dat bij het inschakelen van de 4 voet   de pijpen 13 t/m 68 spreken; in het derde geval, wanneer de 2 voet wordt ingeschakeld, spreken de pijpen 25 t/m 80.
Wanneer de drie registers zijn ingeschakeld en men slaat de toets “C” aan, dan spreken de pijpen 1, 13 en 25.
Slaat men de toets “c” aan, dan spreken de pijpen 13, 25 en 37.
Slaat men beide toetsen tegelijk aan, dan spreken de pijpen 1, 13, 25 en 37.
Let wel, de klankkleur is gelijk omdat het één register betreft.

Waren er drie afzonderlijke registers gebouwd, dan zouden er zes pijpen gesproken hebben, nu maar vier.
Het zal duidelijk zijn dat dit systeem grote bezwaren met zich meebrengt.
Op zijn best is het nog toe te passen bij het pedaal, omdat meerstemmig pedaalspel weinig voorkomt.
Bij drie afzonderlijke registers, krijgen we ook drie afzonderlijke klankkleuren i.p.v. één.

Dergelijke orgels worden ook UNIT-ORGELS genoemd.
Een voorbeeld is de Petrakerk in Hellevoetsluis.

 

9: Tractuur

Onder tractuur wordt verstaan de inrichting die dient om vanaf de speeltafel of klaviatuur de functies van de windladen te commanderen.
Dit kan op verscheidene manieren gebeuren.


1    Langs mechanische weg
2    Langs pneumatische weg
3    Langs elektrische weg

Ø    Langs mechanische weg.

De verbinding tussen toets en ventiel en die tussen register en sleep wordt gevormd door een stelsel van abstracten, 
walsen of wellen en winkelhaken.
Rechtsboven is de werking van een wals geschetst.
Hierbij dient men aan te nemen dat het trekabstract A is verbonden met de toets.
Het is grappig te zien hoe men al naar gelang de richting waarin men de tweede welarm aanbrengt (B t/m E) letterlijk alle kanten uitkan.

Het orgel van de Dorpskerk in Vierpolders is ook een orgel met een rein mechanische tractuur.

 

Ø    Langs pneumatische weg.

Dit systeem wordt toegepast bij orgels met kegelladen of membraanladen.

De nodige verbindingen tussen speeltafel of klaviatuur en windladen worden hier bewerkstelligd door een stelsel van dunne loden buizen, waarin door het neerdrukken van een toets of het openen van een register orgelwind wordt gestuwd die een membraan opblaast.
Ook hier mag een tekeningetje een en ander verduidelijken.

 

 

Links:

Doorsnede van een kegellade.

 

 

 

 

 

Links:

Doorsnede van een membraanlade

 

 

 

Ø    Langs elektrische weg.

Bij dit systeem vervallen de loden buizen van het pneumatische systeem.
Hiervoor in de plaats komen elektrische draden, contacten en magneten.
Bij een elektrisch aangestuurd orgel is het nodig een gelijkrichter in het orgel te plaatsen.
Deze is gekoppeld aan een transformator.
De transformator zorgt er voor dat de netspanning wordt teruggebracht tot ca. 15 volt, terwijl de gelijkrichter de wisselstroom omzet in gelijkstroom.

Deze tractuursystemen komen zeer vaak gecombineerd voor;
b.v.
mechanisch-pneumatisch (zoals bij het Barkerhefboom systeem),
elektro-mechanisch,
elektro-pneumatisch,
enz

 

10. De Speeltafel.

De speeltafel is de centrale plaats van waaruit het orgel, speciaal de windladen, wordt bediend.
Hij omvat één tot vijf handklavieren of manualen, en één voetklavier of pedaal.
Het pedaal kan vrij zijn, d.w.z. voorzien van eigen stemmen, of aan het hoofdmanuaal aangehangen (dus zonder eigen stemmen).

De manualen hebben gewoonlijk een omvang van C t/m g3, het pedaal van C t/m f¹.
Boven of terzijde van de manualen zijn de registers aangebracht in de vorm van knoppen, wippers of labels.
Doormiddel van koppels kunnen de manualen onderling, en het pedaal aan ieder van de manualen afzonderlijk (bij een orgel met vrij pedaal), verbonden worden.

Bij pneumatische- of elektrische tractuur is het bovendien mogelijk door middel van sub- of superoctaafkoppels de stemmen resp. een octaaf lager of hoger op hetzelfde of op een ander klavier tot spreken te brengen.
Wanneer het pijpwerk van een klavier in een zwelkast is gebouwd kan deze door een zweltrede boven het pedaal worden bediend.  

Bij pneumatische orgels zijn meestal allerlei speelhulpen aangebracht, te bedienen met drukknoppen onder de manualen.
Enkele van deze speelhulpen zijn.

1.Vaste combinaties, dat zijn combinaties van verschillende voorgeprogrammeerde registers in de sterktegraden:
PP – P – MF – F – FF – T    (T is de afkorting van Tutti en wil zeggen: volle werk.)

2. Vrije combinaties, dat zijn combinaties die kunnen worden ingesteld door boven de registerwippers aangebrachte knopjes of labeltjes, en die door het indrukken van de knop V.C. in
werking treden, waarbij meestal de handregistratie wordt uitgeschakeld.

3.Automatisch pianopedaal, waardoor het pedaal zich, bij overgang op een nevenmanuaal, automatisch in sterkte bij dat manuaal aanpast.
Het wordt bediend door de knop A.P. en is soms vrij-instelbaar.

4. Uit- en inschakelaars, b.v. van handregisters, tongwerken, mixturen, e.d.

5.Boven het pedaal treft men soms de volgende speelhulpen aan:
Combinatietreden, die sterke stemmen van een bepaald klavier uit- of inschakelen.

6.Generaal-Crescendo, in de vorm van een trede of rol, dat de verschillende registers in de volgorde van hun geluidssterkte in- of uitschakeld.

7.Voetpistons, bij elektrische orgels, voor het bedienen van combinaties en koppels.
(Ook voor koppels bij mechanische orgels (Catharijnekerk - Brielle)

Onderstaand, ter illustratie, een jeugdfoto(1966) van de samensteller Bas Rijkeboer.

Het is het orgel van de Salvatorkerk te Rotterdam-Hillegersberg.
Tractuur is elektrisch.
Bouwer: Orgelbouwer Pels uit ’s Hertogenbosch.

Aantal stemmen: 45
Vrije combinatie
Vaste combinatie
Automatisch pianopedaal
Voetpistons voor Tongwerken - Mixturen

General-Crescendo
Zweltrede

11: Opstelling

De bovengenoemde delen van het orgel worden meestal in een orgelkas(t) geplaatst, waarvan de voorzijde, het front, wordt gevormd door de frontpijpen.
Deze pijpen zijn vaak pijpen van de Prestant 8’ of bij kleine orgels de Prestant 4’ .
Hierachter worden de windladen met de pijpen opgesteld in groepen, die meestal overeenkomen met de verschillende klavieren en “werken”.
Is het front zo ontworpen dat men daaruit het aantal werken, waaruit het orgel bestaat a.h.w. kan aflezen, dan zeggen wij dat het front is gebouwd volgens het “werkprincipe”.
De namen van de verschillende werken zijn: hoofdwerk, bovenwerk (wanneer dit in de zwelkast staat: zwelwerk), pedaal
Soms staat er voor het hoofdorgel nog een werk, dat rugwerk of rugpositief heet.

Van een eventueel vierde klavier (of vijfde), het borstwerk, is het pijpwerk opgesteld op een lade onder het hoofdwerk, boven de klavieren.

 

Onderstaand een foto van de Bavokerk in Haarlem

Einde van deze serie HET ORGEL IN VOGELVLUCHT

 

Gastorganist van de Koogerkerk Bas Rijkeboer op één van de grootste Van Damorgel tijdens de Cantatedienst en Paaswake 2009 in de Koogerkerk te Zuid-Scharwoude
zie www.koogerkerk.nl  Pagina Organisten van Damorgel
Met dank aan Jan A. Jong (vaste organist van de Koogerkerk) voor het ter beschikking stellen van de foto.

Bronvermelding Het Orgel: G.O.V.
drs. Ad. Houtman - J.C. Hanegraaff

Bas Rijkeboer

Naar de kop van de pagina

 

Deze pagina is bijgewerkt t/m 03-12-2011